MEDIAWET (Stb. 1987, 249)
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen
§1 - Begripsbepalingen
§2 - Reikwijdte
Hoofdstuk 2: Het Commissariaat voor de
Media
Hoofdstuk
3: De binnenlandse omroep door instellingen die in aanmerking komen voor toewijzing van
zendtijd
Titel 1: Omroepinstellingen
Afdeling: 1 - Omroepverenigingen
Afdeling: 2 - De nederlandse programma stichting
Afdeling: 3 - De nederlandse omroep stichting
Afdeling: 4 - Educatieve imroepinstellingen
Afdeling: 5 - De stichting etherreclame
Afdeling: 6 - Lokale en regionale omroepinstellingen
Titel 2: De concessies voor
landelijke omroep
§1 - Consessies aan omroepverenigingen
§2 - Voorlopige consessies aan omroepverenigingen
Titel 3: Landlijke omroep
Afdeling: 1 - Landelijke omroep
§1 - Beschikbaarstelling en toewijzing zendtijd
§2 - De televisieprogrammanetten
§3 - Indeling van zendtijd
Afdeling: 2 - Lokale en regionale omroep
Afdeling: 3 - Het vervallen, intrekken en herzien van zendtijd
Titel
4: Rechten en verplichtingen van de instellingen die zendtijd hebben verkregen
Afdeling: 1 - Rechten en verplichtingen ten aanzien van programma's
Afdeling: 2 - Overige rechten en verplichtingen
Hoofdstuk 4: Commerciële
omroep en abonnee programma's
Afdeling: 1 - Commerciële omroep
§1 - Toestemmingen voor commerciële omroep
§2 - Overige rechten en verplichtingen van commerciële omroepinstellingen
Afdeling: 2 - Abonneeprogramma's
Hoofdstuk 5: De wereldomroep
Hoofdstuk
6: Het gebruik van zenders frequenties en draadomroepinrichtingen
§1 - Het gebruik van zenders
§2 - Het gebruik van frequenties
§3 - Het gebruik van draadomroepinrichtingen
Hoofdstuk 7: Het bedrijf en
beheerstichting
§1 - Het bedrijf
§2 - De beheerstichting
Hoofdstuk 8: Financiering
Afdeling: 1 - De bekostiging
§1 - De instellingen die zendtijd hebben gekregen voor landlijke omroep
§2 - De instellingen die zendtijd hebben gekregen voor regionale omroep
§3 - De wereldomroep
§4 - De rekening en verantwoording
Afdeling: 2 - De omroepbijdragen
> Afdeling: 3- De dienst omroepbijdragen
§1 - Algemeen
§2 - De organisatie
§3 - Financiële bepalingen
§4 - Overige bepalingen
Hoofdstuk 9: Steunmaatregelen voor
persorganen
Hoofdstuk 10: Toezicht
Afdeling: 1 - Het toezicht door het Commissariaat voor de Media
Afdeling: 2 - Het toezicht door de dienst omroepbijdragen
§1 - Algemeen
§2 - Bevoegdheden van de toezichthouders
§3 - Sancties
Hoofdstuk 11:Overgangs- en slotbepalingen
§1 - Overgangsbepalingen
§2 - Slotbepalingen
zoals laatstelijk gepubliceerd in Stb. 1994, 386, en nadien gewijzigd bij:
- de wet van 22 juni 1994 (Stb. 573) tot wijziging van binnentredingsbepalingen;
- de wet van 21 december 1994 (Stb. 945), houdende wijziging van bepalingen van de Mediawet in verband met een herstructurering van de beheertaken van het Nederlands Omroepproduktie Bedrijf N.V.;
- de wet van 23 december 1994 (Stb. 946), houdende wijziging van bepalingen van de Mediawet in verband met het beperken van de duur waarvoor concessies voor omroepverenigingen, zendtijdtoewijzingen voor kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag en toestemmingen voor commerciële omroepinstellingen kunnen worden verleend, tot een periode van vijf jaren;
- de wet van 18 mei 1995 (Stb. 320), houdende wijziging van bepalingen van de Mediawet met het oog op de uitvoering van richtlijn nr. 89/552/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (PbEG L 298), en het stellen van overeenkomstige regels inzake de uitoefening van radio-omroepactiviteiten;
- de wet van 2 november 1995 (Stb. 538), houdende intrekking van de Wet raad van advies bibliotheekwezen en informatieverzorging;
- de wet van 26 oktober 1995 (Stb. 539), houdende wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in verband met de instelling van een adviesorgaan voor het beleid op het terrein van de cultuur (Raad voor cultuur);
- de wet van 4 april 1996 (Stb. 219), houdende wijziging van bepalingen van de Mediawet in verband met een herziening van de reclameregeling voor de publieke lokale en regionale omroep, het bevorderen van de samenwerking tussen de publieke regionale en landelijke omroep en het toestaan van commerciële omroep op niet-landelijk niveau (te lezen in samenhang met de wet van 4 april 1996, Stb. 220);
- de wet van 28 maart 1996 (Stb. 320), houdende wijziging van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, de Radio-Omroep-Zender-Wet 1935 en het Wetboek van Strafvordering in verband met de liberalisering van kabelgebonden telecommunicatie-inrichtingen (kabelgebonden telecommunicatie);
- de wet van 26 juni 1996 (Stb. 343), houdende wijziging van de Mediawet in verband met verlenging van het huidige toezicht op toegang tot draadomroepinrichtingen;
- de wet van 3 april 1996 (Stb. 366) tot aanpassing van de noodwetgeving aan de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden en nieuwe regels ter harmonisatie van de terminologie voor buitengewone omstandigheden waarin noodwetgeving kan worden toegepast en de procedures volgens welke noodwetgeving buiten een uitzonderingstoestand in werking wordt gesteld (Invoeringswet Coördinatiewet uitzonderingstoestanden);
- de wet van 19 december 1996 (Stb. 648), houdende wijziging van bepalingen van de Mediawet in verband met het omvormen van de met de inning van de omroepbijdragen belaste dienst van Koninklijke PTT Nederland N.V. tot een publiekrechtelijk vormgegeven zelfstandig bestuursorgaan;
- de wet van 10 april 1997 (Stb. 189), tot aanpassing van de belastingbepalingen in de Provinciewet aan bepalingen in de Gemeentewet en de Waterschapswet, alsmede wijziging van de formele belastingbepalingen in de Gemeentewet en de Waterschapswet;
- de wet van 5 juli 1997 (Stb. 336), houdende wijziging van bepalingen van de Mediawet, de Wet op de telecommunicatievoorzieningen en de Radio-Omroep-Zender-Wet 1935 in verband met de liberalisering van de mediawetgeving;
- de wet van 13 november 1997 (Stb. 544), houdende
wijziging van bepalingen van de Mediawet in verband met een herziening van de
organisatiestructuur van de landelijke publieke omroep (kamerstukken II, 1996/97, 25 216)
terug naar begin
HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN
§1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;
b. radioprogramma: een programma met woord- of tooninhoud dat wordt uitgezonden naar het algemene publiek of naar een beperkt publiek;
c. televisieprogramma: een programma met beeldinhoud, al dan niet mede met woord- of tooninhoud, dat wordt uitgezonden naar het algemene publiek of naar een beperkt publiek;
d. teletekstprogramma: een televisieprogramma dat uitsluitend bestaat uit een aantal beelden met alfanumerieke gegevens en andere stilstaande beelden, welke door de kijker in een door hem bepaalde volgorde en op een door hem bepaald tijdstip kunnen worden geraadpleegd, en dat wordt uitgezonden op een kanaal dat tevens wordt gebruikt ofwel voor het uitzenden van een ander televisieprogramma dat niet uitsluitend bestaat uit een aantal beelden met alfanumerieke gegevens en andere stilstaande beelden, ofwel voor het uitzenden van een toetsbeeld;
e. programma: een radio- of televisieprogramma;
f. toetsbeeld: een stilstaand beeld dat dient om de ontvangst van televisieprogramma's te testen en dat wordt uitgezonden gedurende de tijd dat geen televisieprogramma, als bedoeld onder c, wordt uitgezonden;
g. omroepprogramma: een programma dat wordt uitgezonden naar het algemene publiek;
h. abonneeprogramma: een programma dat door middel van een of meer zenders of draadomroepinrichtingen gelijktijdig wordt uitgezonden naar twee of meer ontvangers, onderscheidenlijk aangeslotenen op een draadomroepinrichting, die elk een tot ontvangst van het programma strekkende overeenkomst hebben gesloten met de verzorger van het programma;
i. landelijke omroep: omroep bestemd voor het gehele land;
j. regionale omroep: omroep bestemd voor een provincie;
k. lokale omroep: omroep bestemd voor een gemeente;
l. binnenlandse omroep: landelijke, regionale, lokale en commerciële omroep;
m. draadomroepinrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 1, onder k, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen (Stb. 1988, 520);
n. de beheerder van een draadomroepinrichting: degene die met machtiging of krachtens vrijstelling een draadomroepinrichting aanlegt, in stand houdt of exploiteert, dan wel de houder van de concessie bedoeld in artikel 3, eerste lid, of de houder van de infrastructuurvergunning zonder gebiedsbeperking, bedoeld in artikel 3a, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen indien deze de aanleg, instandhouding en exploitatie verzorgt;
o. uitzenden: het verspreiden van radio- en televisieprogramma's en toetsbeelden door middel van een zender of een draadomroepinrichting;
p. het verzorgen van een programma: het voorbereiden, samenstellen en uitvoeren van een programma ten behoeve van binnenlandse omroep, de Wereldomroep, of van een abonneeprogramma;
q. zendtijd: de tijd gedurende welke de betrokkene met toepassing van de artikelen 39 tot en met 39i of met toepassing van artikel 42 in de gelegenheid wordt gesteld programma's voor binnenlandse omroep uit te doen zenden door middel van een zender;
r. reclameboodschappen: boodschappen, waarmee onmiskenbaar wordt beoogd het publiek te bewegen tot het kopen van een bepaald product of het gebruik maken van een bepaalde dienstverlening, dan wel gunstig te stemmen ten aanzien van een bepaald bedrijf, een bedrijfstak of een bepaalde instelling teneinde de verkoop van producten of de afname van diensten te bevorderen;
s. reclame-uitingen: reclameboodschappen en andere uitingen die onmiskenbaar ten gevolge hebben dat het publiek wordt bewogen tot het kopen van een bepaald product of het gebruik maken van een bepaalde dienstverlening, dan wel gunstig wordt gestemd ten aanzien van een bepaald bedrijf, een bedrijfstak of een bepaalde instelling zodat de verkoop van producten of de afname van diensten wordt bevorderd;
t. faciliteiten: het geheel van personele en materiële middelen ten behoeve van de realisering van programma's;
u. Wereldomroep: de stichting genoemd in artikel 76;
v. de Programmastichting: de Nederlandse Programma Stichting, genoemd in artikel 15;
w. de Stichting: de Nederlandse Omroep Stichting, genoemd in artikel 16;
x. Beheerstichting: de Stichting tot beheer van de aandelen van de naamloze vennootschap Nederlands Omroepproduktie Bedrijf genoemd in artikel 95;
y. Bedrijf: de naamloze vennootschap Nederlands Omroepproduktie Bedrijf N.V. genoemd in artikel 83;
z. uitgever van een persorgaan: de rechtspersoon die het persorgaan uitgeeft;
aa. televisietoestel: iedere technische inrichting door middel waarvan televisieprogramma's kunnen worden waargenomen;
bb. radiotoestel: iedere technische inrichting door middel waarvan radioprogramma's kunnen worden waargenomen;
cc. ontvanginrichting: een radio- of televisietoestel;
dd. zender: een zendinrichting die programma's en toetsbeelden draadloos verspreidt naar het algemene publiek of naar een beperkt publiek;
ee. zenderbeheerder: degene die met machtiging of krachtens vrijstelling een zender aanlegt, aanwezig heeft of gebruikt, de naamloze vennootschap Nederlandsche Omroep-Zender-Maatschappij N.V., genoemd in artikel 1 van de Radio-Omroep-Zender-Wet 1935, daaronder begrepen, dan wel de houder van de concessie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, indien deze de zender aanlegt, aanwezig heeft of gebruikt;
ff. omroep: al hetgeen betrekking heeft op de voorbereiding, samenstelling, uitvoering en het doen uitzenden van omroepprogramma's, die bedoeld zijn om te worden uitgezonden;
gg. commerciële omroep: omroep door een commerciële omroepinstelling;
hh. commerciële omroepinstelling: een natuurlijke of rechtspersoon die een omroepprogramma verzorgt voor uitzending door middel van een of meer zenders of draadomroepinrichtingen en voor de toepassing van deze wet onder de bevoegdheid van Nederland valt, met uitzondering van de instellingen die zendtijd hebben verkregen;
ii. verzorger van een abonneeprogramma: een natuurlijke of rechtspersoon die een abonneeprogramma verzorgt en voor de toepassing van deze wet onder de bevoegdheid van Nederland valt;
jj. dagbladmarkt: de door het Bedrijfsfonds voor de pers vastgestelde gemiddelde betaalde oplage, in een kalenderjaar, van persorganen die bestemd zijn voor het publiek in Nederland en ten minste zes keer per week verschijnen;
kk. groep: een groep als bedoeld in artikel 24b Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
ll. Europese richtlijn: richtlijn nr. 89/552/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (PbEG L 298);
mm. het sponsoren van een programma-onderdeel: het verstrekken van financiële of andere bijdragen door een overheidsbedrijf of particuliere onderneming die zich gewoonlijk niet bezighoudt met omroepactiviteiten of met de vervaardiging van audiovisuele produkties, ten behoeve van de totstandkoming of aankoop van een programma-onderdeel, teneinde de uitzending daarvan als programma-onderdeel te bevorderen of mogelijk te maken;
nn. sponsor: het overheidsbedrijf dat, of de particuliere onderneming die een programma-onderdeel sponsort;
oo. sponsorbijdrage: de door een sponsor verstrekte bijdrage;
pp. nieuwsbladmarkt: de door het Bedrijfsfonds voor de pers vastgestelde gemiddelde betaalde oplage, in een kalenderjaar, van persorganen die bestemd zijn voor het publiek in Nederland en ten minste één keer en maximaal vijf keer per week verschijnen;
qq. raad van bestuur: de raad van bestuur van de Stichting;
rr. netbestuur: het netbestuur voor een televisieprogrammanet, bedoeld in artikel 40a, eerste lid;
ss. netcoördinator: de netcoördinator voor een televisie- of radioprogrammanet,
bedoeld in artikel 40a, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 40g, eerste lid.
Artikel 2
1. Onder beheerder van een draadomroepinrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel n, wordt mede verstaan degene die krachtens een overeenkomst met de beheerder de exploitatie van een draadomroepinrichting verzorgt, voor zover diegene bepaalt of mede bepaalt welke programma's door middel van de draadomroepinrichting worden uitgezonden, onderscheidenlijk welk tarief aan de aangeslotenen in rekening wordt gebracht voor de ontvangst van programma's door middel van de draadomroepinrichting.
2. Onder zenderbeheerder als bedoeld in artikel 1, onderdeel ee, wordt mede verstaan
degene die krachtens een overeenkomst met de beheerder de exploitatie van een zender
verzorgt, voor zover diegene bepaalt of mede bepaalt welke programma's door middel van de
zender worden uitgezonden.
Artikel 3
Onder reclameboodschappen en andere reclame-uitingen als bedoeld in artikel 1,
onderdelen r en s, wordt niet verstaan het oproepen tot steun aan, of het gunstig stemmen
ten aanzien van instellingen met een wetenschappelijk, cultureel, godsdienstig,
levensbeschouwelijk, politiek of liefdadig karakter, voor zover deze niet betrekking
hebben op het kopen van een bepaald produkt of het gebruik maken van een bepaalde
dienstverlening, die in de handel verkrijgbaar is.
Artikel 4
1. Onder de bevoegdheid van Nederland, bedoeld in artikel 1, onderdelen hh en ii, vallen in ieder geval:
a. natuurlijke en rechtspersonen die een televisieprogramma verzorgen en krachtens de Europese richtlijn onder de bevoegdheid van Nederland vallen;
b. natuurlijke en rechtspersonen die een televisieprogramma verzorgen dat in Nederland door middel van een of meer zenders, satellieten daaronder niet begrepen, wordt uitgezonden, voor zover het dat programma betreft.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op natuurlijke en rechtspersonen
die een radioprogramma verzorgen.
§2. Reikwijdte
Artikel 5
1. Deze wet is niet van toepassing op het gebruik van zenders, frequenties en draadomroepinrichtingen voor andere diensten dan het naar het algemene publiek of naar een beperkt publiek uitzenden van programma's, toetsbeelden of informatie met betrekking tot de door middel van een zender of draadomroepinrichting aangeboden programma's en diensten.
2. Onder andere diensten als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval verstaan:
a. het verzenden van informatie in de vorm van beeld, geluid of anderszins op directe oproep van een ontvanger, onderscheidenlijk aangeslotene, op een door deze bepaald tijdstip;
b. het verzenden van informatie in de vorm van beeld, geluid of anderszins naar een besloten groep ontvangers, onderscheidenlijk aangeslotenen;
c. het verzenden van informatie in de vorm van beeld, geluid of anderszins van en naar
slechts één ontvanger, onderscheidenlijk aangeslotene.
Artikel 6 (Vervallen)
Artikel 7 (Vervallen)
Artikel 8 (Vervallen)
terug naar begin
HOOFDSTUK II. HET COMMISSARIAAT VOOR DE MEDIA
Artikel 9
1. Er is een Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat heeft rechtspersoonlijkheid
en is gevestigd in de gemeente Hilversum.
2. Naast de andere taken die het Commissariaat heeft op grond van deze wet heeft het de volgende taken:
a. het Commissariaat bevordert overleg, coördinatie en samenwerking tussen de instellingen die op grond van deze wet een programma verzorgen voor landelijke omroep en het Bedrijf;
b. het Commissariaat verstrekt Onze Minister de inlichtingen die deze ten behoeve van zijn taakuitoefening nodig oordeelt; en
c. het Commissariaat brengt jaarlijks verslag uit van zijn werkzaamheden aan Onze
Minister. Deze zendt het verslag door aan de beide Kamers der Staten-Generaal.
Artikel 10
1. Het Commissariaat voor de Media bestaat uit een voorzitter en twee of vier andere leden. Zij worden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister benoemd en ontslagen.
2. Een benoeming geschiedt voor een periode van vijf jaren. Herbenoeming voor een aansluitende periode is éénmaal mogelijk.
3. Met het lidmaatschap van het Commissariaat zijn onverenigbaar:
a. een betrekking in dienst bij een ministerie, of bij een instelling of een dienst die, dan wel een bedrijf dat onder de verantwoordelijkheid van een minister werkzaam is;
b. een lidmaatschap van een der Kamers van de Staten-Generaal, een provinciaal bestuur of een gemeentebestuur;
c. een bestuurslidmaatschap bij - of een betrekking in dienst van - een instelling die in aanmerking komt voor zendtijd voor binnenlandse omroep, een commerciële omroepinstelling, een verzorger van een abonneeprogramma, het Bedrijf of een andere instelling die gelijksoortige activiteiten verricht, dan wel een uitgever van een persorgaan.
4. Naast ontslag op eigen verzoek van de betrokkene is ontslag alleen mogelijk op grond van ongeschiktheid, wegens het hebben van financiële belangen bij instellingen ten aanzien waarvan het Commissariaat wettelijke bevoegdheden heeft en wegens het aanvaarden van een betrekking die, of een lidmaatschap dat met het lidmaatschap van het Commissariaat onverenigbaar is.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de
bezoldiging en de verdere rechtspositie van de leden van het Commissariaat en van zijn
personeel.
Artikel 11
1. Het Commissariaat voor de Media neemt besluiten bij meerderheid van stemmen.
2. Het Commissariaat kan één of meer van zijn leden belasten met het namens het Commissariaat uitvoeren van delen van zijn taak; een daartoe strekkend besluit behoeft de instemming van alle leden.
3. Het Commissariaat stelt, onder goedkeuring van Onze Minister, regels ten aanzien van
de eigen besluitvorming en werkwijze van het college.
Artikel 12
De kosten van het Commissariaat voor de Media worden door Onze Minister vergoed. De
begroting en jaarrekening van het Commissariaat behoeven zijn goedkeuring.
Artikel 13
1. Bij koninklijk besluit kunnen, het Commissariaat voor de Media gehoord, besluiten van het Commissariaat die rechtsgevolgen hebben, gedurende dertig dagen nadat Onze Minister van het besluit heeft kennisgenomen danwel gedurende de tijd dat het besluit is geschorst, op voordracht van Onze Minister worden vernietigd wegens strijd met het recht of met het algemeen belang. Een dergelijk besluit wordt in het Staatsblad geplaatst.
2. Een besluit, ten aanzien waarvan een verzoek om een administratieve voorziening aanhangig of nog mogelijk is, wordt niet vernietigd.
3. Een besluit, ten aanzien waarvan door de rechter een uitspraak is gedaan, of waartegen beroep is ingesteld dat door de rechter ongegrond is verklaard, kan niet worden vernietigd op rechtsgronden, welke in strijd zijn met die, waarop de uitspraak steunt of mede steunt.
4. Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde besluiten schorsen op dezelfde gronden die aanleiding kunnen geven tot vernietiging van de besluiten. De schorsing kan slechts plaatsvinden gedurende dertig dagen na de dag, waarop Onze Minister van de besluiten heeft kennisgenomen. Schorsing stuit onmiddellijk de werking van het geschorste besluit. De beschikking tot schorsing wordt in de Nederlandse Staatscourant geplaatst.
5. De schorsing kan, ook na verlenging, niet langer duren dan een jaar, tenzij er een
verzoek om een administratieve voorziening aanhangig is in welk geval de schorsing
behoudens eerdere opheffing voortduurt tot drie maanden nadat daarop onherroepelijk is
beslist.
terug naar begin
HOOFDSTUK III. DE BINNENLANDSE OMROEP DOOR INSTELLINGEN DIE IN AANMERKING KOMEN
VOOR TOEWIJZING VAN ZENDTIJD
Titel 1. Omroepinstellingen
AFDELING 1. OMROEPVERENIGINGEN
Artikel 14
1. Een omroepvereniging is een vereniging die voldoet aan de volgende eisen:
a. de vereniging heeft volledige rechtsbevoegdheid;
b. de vereniging stelt zich blijkens haar statuten uitsluitend, althans hoofdzakelijk ten doel, een omroepprogramma te verzorgen;
c. de vereniging stelt zich blijkens haar statuten ten doel in haar programma een bepaalde, in de statuten aangeduide, maatschappelijke, culturele of godsdienstige dan wel geestelijke stroming te vertegenwoordigen en zich in haar programma te richten op de bevrediging van in het volk levende maatschappelijke, culturele of godsdienstige dan wel geestelijke behoeften.
2. Voor de toepassing van deze wet worden onder leden van een omroepvereniging
verstaan die leden die tenminste zestien jaren oud zijn, in Nederland woonplaats hebben,
en hun contributie, die is vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in artikel 64,
hebben voldaan.
AFDELING 2. DE NEDERLANDSE PROGRAMMA STICHTING
Artikel 15
1. De Nederlandse Programma Stichting verzorgt een programma dat bestaat uit onderdelen die voorzien in de bevrediging van in het volk levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke behoeften, zodanig dat dit programma te zamen met de programma's van de andere instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen, een evenwichtig beeld oplevert van de maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke verscheidenheid in Nederland.
2. Het bestuur van de Programmastichting bestaat uit een voorzitter en zes andere leden.
3. Onze Minister benoemt de voorzitter en de andere leden van het bestuur. Voor benoeming komen in aanmerking personen die deskundig zijn op het gebied van het programma dat de Programmastichting verzorgt.
4. De leden van het bestuur worden telkens voor een termijn van vijf jaren benoemd. De leden die in de loop van de vijfjarige termijn zijn benoemd, treden tegelijk met de andere leden af. De leden zijn terstond herbenoembaar.
5. Naast ontslag op eigen verzoek van een bestuurder, is ontslag alleen mogelijk op
grond van ongeschiktheid.
Artikel 15a
1. De Programmastichting heeft een programmaraad, die het bestuur adviseert over het programma dat de Programmastichting verzorgt.
2. De programmaraad bestaat uit een voorzitter en negentien andere leden.
3. Onze Minister benoemt de voorzitter van de programmaraad. De andere leden van de programmaraad worden benoemd door maatschappelijke en culturele organisaties die daartoe door Onze Minister zijn aangewezen.
4. De leden van de programmaraad worden telkens voor een termijn van vijf jaren benoemd. De leden die in de loop van de vijfjarige termijn zijn benoemd, treden tegelijk met de andere leden af. De leden zijn terstond herbenoembaar.
5. De programmaraad regelt zijn werkzaamheden onder goedkeuring van het bestuur van de
Programmastichting.
Artikel 15b
1. Wijzigingen in de statuten van de Programmastichting behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
2. Het bestuur van de Programmastichting kan niet besluiten tot ontbinding van de
Programmastichting.
AFDELING 3. DE NEDERLANDSE OMROEP STICHTING
§ 1. Taken
Artikel 16
1. De Nederlandse Omroep Stichting is het samenwerkings- en coördinatie-orgaan van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep.
2. Naast andere taken die de Stichting heeft op grond van deze wet, is zij belast met:
a. de coördinatie, op en tussen de verschillende programmanetten, van de programma's van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;
b. het verzorgen van een programma;
c. het iedere drie maanden maken van verslagen, waarin de uitgezonden programma-onderdelen van de Stichting, de Programmastichting en de omroepverenigingen worden opgesomd en ingedeeld overeenkomstig de omschrijvingen, bedoeld in de artikelen 50, eerste, tweede en derde lid, 51b, tweede en derde lid, en 51d, tweede lid;
d. de vertegenwoordiging, na overleg met Onze Minister, van de instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen en de Wereldomroep als geheel, in internationale organisaties op het gebied van radio- en televisieprogramma's en het uitzenden daarvan, alsmede de medewerking aan de oprichting van zodanige organisaties;
e. het, na goedkeuring van Onze Minister, meewerken aan een Europees televisieprogramma, dat mede op het Nederlandse publiek is gericht, in samenwerking met buitenlandse omroepinstellingen;
f. het ter beschikking stellen van programma's aan het buitenland;
g. het behartigen van aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn voor de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;
h. het indelen van de zendtijd van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;
i. het opstellen van een meerjarenplan als bedoeld in artikel 99;
j. het in samenwerking met de Wereldomroep binnen de grenzen van de goedgekeurde begroting sluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten, mede in naam van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;
k. het in samenwerking met de Wereldomroep vaststellen van normen voor de honorering van losse medewerkers, mede in naam van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;
l. de bekostiging van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;
m. het inrichten, instandhouden, beheren en het regelen van het gebruik van organen, diensten en hulpmiddelen, die nodig zijn voor een goede uitvoering van de onder a tot met l genoemde taken, voor zover dit niet tot de taak van het Bedrijf behoort.
3. De verslagen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, worden gezonden aan het Commissariaat voor de Media.
4. De Stichting is bevoegd om binnen het kader van haar taak, bedoeld in het tweede
lid, onderdeel g, in naam van de gezamenlijke instellingen die zendtijd hebben verkregen
voor landelijke omroep, overeenkomsten met derden aan te gaan, indien dit geschiedt door
of met instemming van de raad van toezicht.
Artikel 17
De Stichting verzorgt het teletekstprogramma voor landelijke omroep.
§ 2. De organisatie
Artikel 18
1. De Stichting heeft twee organen: een raad van toezicht en een raad van bestuur.
2. Het lidmaatschap van de raad van toezicht is onverenigbaar met het lidmaatschap
van de raad van bestuur.
Artikel 18a
1. De raad van toezicht bestaat uit een voorzitter en een aantal andere leden.
2. De voorzitter van de raad van toezicht wordt bij koninklijk besluit benoemd.
3. Onze Minister benoemt een aantal leden gelijk aan het aantal omroepverenigingen A, B en C die zendtijd hebben verkregen, verminderd met drie. Ten aanzien van een van deze leden kunnen de gezamenlijke ondernemingsraden van de Stichting, de Programmastichting en de omroepverenigingen A, B en C die zendtijd hebben verkregen, personen voor benoeming tot lid van de raad van toezicht aanbevelen.
4. De overige leden van de raad van toezicht worden als volgt benoemd:
a. de omroepverenigingen A, B en C benoemen elk een lid;
b. de educatieve omroepinstellingen die zendtijd hebben verkregen, benoemen gezamenlijk één lid;
c. de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag die zendtijd hebben verkregen, benoemen gezamenlijk één lid.
5. Voor de toepassing van het vierde lid wordt de Programmastichting aangemerkt als een omroepvereniging A.
6. De leden van de raad van toezicht worden telkens voor een termijn van vijf jaren benoemd. De leden die in de loop van de vijfjarige termijn zijn benoemd, treden tegelijk met de andere leden af. De leden zijn terstond herbenoembaar.
7. De omroepverenigingen die een voorlopige concessie hebben verkregen, kunnen elk één waarnemer in de raad van toezicht aanwijzen.
8. De voorzitter kan vertegenwoordigers van het Commissariaat voor de Media uitnodigen
de vergaderingen van de raad van toezicht bij te wonen.
Artikel 18b
1. De raad van toezicht heeft tot taak toezicht te houden op het beleid van de raad van bestuur en op de algemene gang van zaken in de Stichting.
2. De raad van toezicht is belast met:
a. het vaststellen van algemene uitgangspunten voor landelijke televisie-omroep door instellingen die zendtijd hebben verkregen, op voorstel van de raad van bestuur;
b. het vaststellen van de jaarrekening van de Stichting;
c. het wijzigen van de statuten van de Stichting, op voorstel van de raad van bestuur;
d. het vaststellen van algemene uitgangspunten voor het programma van de Stichting.
3. De volgende besluiten en beslissingen van de raad van bestuur behoeven de instemming van de raad van toezicht:
a. het vaststellen van het coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel c;
b. het vaststellen van het meerjarenplan, bedoeld in artikel 99;
c. het vaststellen van het jaarverslag, bedoeld in artikel 23a;
d. investeringen die een in de statuten vastgesteld bedrag te boven gaan;
e. het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking van de Stichting met een andere rechtspersoon of vennootschap, indien deze samenwerking of verbreking van ingrijpende betekenis is voor de Stichting of voor andere instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;
f. collectief ontslag van een aanmerkelijk aantal werknemers;
g. ingrijpende wijziging in de arbeidsomstandigheden van een aanmerkelijk aantal
werknemers.
Artikel 19
1. De raad van bestuur bestaat uit een voorzitter en twee andere leden.
2. De leden van de raad van bestuur worden benoemd door Onze Minister, in overleg met de raad van toezicht.
3. Met het lidmaatschap van de raad van bestuur zijn overenigbaar het lidmaatschap van een orgaan van, en een dienstbetrekking bij, een instelling die zendtijd heeft verkregen.
4. De raad van bestuur regelt zijn eigen werkwijze.
Artikel 19a
1. Naast de andere taken en bevoegdheden die de raad van bestuur heeft op grond van deze wet, is hij belast met:
a. de dagelijkse leiding over de werkzaamheden van de Stichting, waaronder de verzorging van haar programma;
b. het na overleg met de netbesturen doen van voorstellen ten behoeve van de vaststelling van algemene uitgangspunten, bedoeld in artikel 18b, tweede lid, onderdeel a;
c. het vaststellen van een reglement voor de coördinatie van de programma-onderdelen voor televisie, onderscheidenlijk voor radio, op en tussen de verschillende programmanetten;
d. de coördinatie, op en tussen de verschillende programmanetten, van de programma-onderdelen van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;
e. het vaststellen van nadere regelingen ter uitvoering van de wettelijke taken van de Stichting, met uitzondering van de taken, bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdelen b en e.
2. De raad van bestuur vertegenwoordigt de Stichting in en buiten rechte. De statuten van de Stichting kunnen de bevoegdheid tot vertegenwoordiging, bedoeld in de vorige volzin, bovendien toekennen aan een of meer leden van de raad van bestuur of aan anderen.
3. De raad van bestuur is voorts belast met met alles wat niet uitdrukkelijk tot de taak of bevoegdheid van de raad van toezicht behoort.
4. Ten behoeve van de verzorging van het programma van de Stichting benoemt de raad van bestuur een programmadirecteur. De programmadirecteur is in dienst van de Stichting. De functie van programmadirecteur is onverenigbaar met het lidmaatschap van de raad van toezicht en van de raad van bestuur.
Artikel 20
Het coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel c, bevat in ieder geval:
a. een regeling inzake de voorbereiding van de zendtijdindeling door de raad van bestuur;
b. een nadere regeling inzake de coördinatie van programma-onderdelen op en tussen de verschillende programmanetten, gericht op een evenwichtig programma-aanbod voor publieksgroepen van verschillende omvang en samenstelling, gespreid over de verschillende programmanetten;
c. een regeling die beoogt tegen te gaan dat op hetzelfde tijdstip op verschillende programmanetten gelijksoortige programma-onderdelen worden uitgezonden;
d. een regeling die beoogt te bevorderen dat op hetzelfde tijdstip op verschillende programmanetten nieuwe programma-onderdelen beginnen;
e. een regeling inzake het verwijzen naar programma-onderdelen op andere programmanetten;
f. een nadere regeling inzake de uitoefening van de bevoegdheid van de raad van
bestuur om in het kader van de coördinatie, bedoeld in onderdeel b, de beoogde uitzenddag
of het beoogde uitzendtijdstip van een programma-onderdeel te wijzigen.
§ 3. Overige bepalingen
Artikel 21
1. Onverminderd artikel 48, zijn de volgende besluiten van organen van de raad van bestuur bindend voor de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, voor zover deze besluiten hen aangaan:
a. de besluiten omtrent het indelen van de zendtijd van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;
b. de besluiten omtrent de bekostiging van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;
c. de besluiten omtrent vaststelling van het coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel c;
d. de besluiten omtrent de coördinatie, op en tussen de verschillende programmanetten, van de programma-onderdelen van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;
e. de besluiten omtrent vaststelling van een nadere regling als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel e.
2. De raad van bestuur ziet erop toe dat de besluiten, bedoeld in het eerste lid,
worden nageleefd.
Artikel 22
De raad van bestuur en de door hem daartoe aangewezen medewerkers van de Stichting
zijn bevoegd inlichtingen te verlangen van instellingen die zendtijd voor landelijke
omroep hebben verkregen, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak, de taak van de
netcoördinatoren daaronder begrepen, redelijkerwijs nodig is.
Artikel 23
1. De Stichting verstrekt Onze Minister alle inlichtingen met betrekking tot de werkzaamheden van de Stichting.
2. Onze Minister kan inzage verlangen van zakelijke gegevens en bescheiden van de
Stichting, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
Artikel 23a
1. De raad van bestuur stelt jaarlijks voor 1 juni een jaarverslag vast over het afgelopen kalenderjaar. In het jaarverslag wordt aandacht besteed aan de werkzaamheden van de Stichting, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkwijze in het bijzonder.
2. De raad van bestuur zendt het verslag aan Onze Minister en stelt het algemeen
verkrijgbaar.
Artikel 24
1. Wijzigingen in de statuten van de Stichting behoeven de instemming van Onze Minister.
2. De raad van bestuur kan niet besluiten tot ontbinding van de Stichting.
AFDELING 4. EDUCATIEVE OMROEPINSTELLINGEN
Artikel 25
Een educatieve omroepinstelling is een instelling die voldoet aan de volgende eisen:
a. zij is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid;
b. zij stelt zich uitsluitend ten doel het verzorgen van een educatief programma op het gebied van onderwijs, scholing en vorming; en
c. zij heeft blijkens de statuten een bestuur of een orgaan, dat het programmabeleid
bepaalt, dat zodanig is samengesteld dat deskundigen uit de kring van representatieve
landelijke organisaties op het gebied van onderwijs, scholing en vorming daarin zitting
hebben.
AFDELING 5. DE STICHTING ETHERRECLAME
Artikel 26
1. De Stichting Etherreclame verzorgt een omroepprogramma dat bestaat uit reclameboodschappen die zijn aangeboden door derden, alsmede een omlijsting daarvan.
2. Het bestuur van de Stichting Etherreclame bestaat uit een voorzitter en vier andere leden.
3. De leden van het bestuur worden door Onze Minister benoemd en ontslagen. Drie van de leden worden benoemd op voordracht van de Stichting. Onze Minister wijst uit de leden de voorzitter aan.
4. Onze Minister, Onze Minister van Economische Zaken en de Stichting kunnen waarnemers
aanwijzen, die hen bij het bestuur vertegenwoordigen. Deze waarnemers hebben in het
bestuur een raadgevende stem.
Artikel 27
1. Het bestuur van de Stichting Etherreclame stelt de tarieven vast voor het door haar in haar programma opnemen van reclameboodschappen.
2. Een besluit tot vaststelling van de tarieven wordt terstond aan Onze Minister medegedeeld.
3. Binnen één maand na ontvangst van het besluit kan Onze Minister het besluit geheel of ten dele vernietigen. Bij dit besluit kan Onze Minister zelf de tarieven vaststellen, dan wel bepalen dat het bestuur van de Stichting Etherreclame opnieuw ter zake een besluit neemt met inachtneming van het besluit van Onze Minister.
4. Ter zake van het nieuwe besluit van het bestuur van de Stichting Etherreclame zijn
het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 28
De inkomsten die de Stichting Etherreclame verwerft stelt zij, na aftrek van haar door Onze Minister goedgekeurde uitgaven, ter beschikking van Onze Minister. De afgedragen inkomsten dienen ter bestrijding van de kosten verbonden aan:
a. de vergoedingen aan instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;
b. de vergoedingen voor regionale omroep;
c. de Wereldomroep;
d. het Europees programma, bedoeld in artikel 16, tweede lid, onder e;
e. de uitkering uit de inkomsten van de Stichting Etherreclame ten behoeve van het Bedrijfsfonds voor de pers als bedoeld in artikel 128;
f. de Raad voor cultuur, voor zover samenhangend met de advisering ten aanzien van radio, televisie, pers en andere vormen van massacommunicatie, tot een door Onze Minister te bepalen bedrag;
g. het Commissariaat voor de Media;
h. de handhaving van de etherorde door of vanwege de Minister van Verkeer en Waterstaat, voorzover veroorzaakt door werkzaamheden ten behoeve van de omroep;
i. door Onze Minister bekostigd onderzoek in het belang van de massacommunicatie;
j. uitkeringen door Onze Minister aan het fonds, bedoeld in artikel 170;
k. vergoedingen aan het Bedrijf ten behoeve van de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 86, eerste lid, onderdelen b en c;
l. vergoedingen aan een door Onze Minister aan te wijzen instelling ten behoeve van het in stand houden en exploiteren van een omroeparchief;
m. vergoedingen aan een door Onze Minister aan te wijzen instelling ten behoeve van het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten, omroepkoren en een muziekbibliotheek;
n. een door Onze Minister aan te wijzen overlegorgaan van lokale omroepinstellingen.
Artikel 28a
1. De Stichting Etherreclame doet jaarlijks voor 1 augustus aan Onze Minister een opgave toekomen van de inkomsten die zij naar verwachting in het volgende kalenderjaar zal verwerven. Zij doet bovendien jaarlijks voor 1 september aan Onze Minister een opgave toekomen van de inkomsten die zij naar verwachting in het lopende kalenderjaar zal verwerven.
2. Onze Minister zendt zo spoedig mogelijk een afschrift van deze opgaven ter
kennisneming aan het Commissariaat voor de Media, de Stichting en de Wereldomroep.
Artikel 29
1. Wijzigingen in de statuten van de Stichting Etherreclame behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
2. Het bestuur van de Stichting Etherreclame kan niet besluiten tot ontbinding van de
stichting.
AFDELING 6. LOKALE EN REGIONALE OMROEPINSTELLINGEN
Artikel 30
Een lokale, onderscheidenlijk regionale omroepinstelling, is een instelling die voldoet aan de volgende eisen:
a. zij is rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid;
b. zij stelt zich blijkens haar statuten uitsluitend, althans hoofdzakelijk ten doel, een omroepprogramma te verzorgen dat in zodanige mate is gericht op de bevrediging van de in de gemeente of provincie, of een deel van de provincie waarop de omroepinstelling zich richt, levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke behoeften, dat de instelling geacht kan worden van algemeen nut te zijn; en
c. zij heeft op grond van de statuten een orgaan dat het programmabeleid bepaalt. Dit
orgaan heeft een zodanige samenstelling dat het representatief is voor de belangrijkste in
de gemeente of provincie voorkomende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en
geestelijke stromingen. De leden van dit orgaan worden op voordracht van de omroep benoemd
door het college van Gedeputeerde Staten onderscheidenlijk het College van Burgemeester
van Wethouders.
Titel 2. De concessies voor landelijke omroep
§1. Concessies aan omroepverenigingen
Artikel 31
1. Onze Minister kan aan omroepverenigingen concessies verlenen voor landelijke omroep.
2. Een concessie heeft steeds betrekking op zowel televisie als radio.
3. Concessies worden eenmaal in de vijf jaren verleend voor een, voor alle concessionarissen tegelijk aanvangende, periode van vijf jaren. De concessies vervallen na afloop van de concessieperiode.
4. Voor een concessie komen slechts in aanmerking omroepverenigingen:
a. die in het jaar, voorafgaande aan de concessieperiode, zendtijd als omroepvereniging hebben gehad; en
b. waarvan het Commissariaat voor de Media heeft vastgesteld dat zij ten minste 150.000 leden hebben.
5. Een concessie geeft aan de concessionaris gedurende de concessieperiode recht op zendtijd en op een financiële bijdrage voor de verzorging van zijn programma.
6. Een concessionaris is verplicht gedurende de concessieperiode een televisie- en een
radioprogramma voor landelijke omroep te verzorgen.
Artikel 32
1. Een aanvraag voor een concessie gaat vergezeld van:
a. een beleidsplan; en
b. een opgave van het door het Commissariaat voor de Media vastgestelde aantal leden van de omroepvereniging.
2. In het beleidsplan worden opgenomen het programmabeleid van de omroepvereniging, mede in het licht van artikel 50, eerste, tweede en derde lid, en de voornemens met betrekking tot de samenwerking met andere aanvragers, met educatieve omroepinstellingen of met de Programmastichting, voor zover die hun televisieprogramma op hetzelfde televisieprogrammanet wensen te verzorgen. Het deel van het beleidsplan dat betrekking heeft op de samenwerking met andere aanvragers of met de Programmastichting, kan door de desbetreffende aanvragers, onderscheidenlijk door de desbetreffende aanvragers in overeenstemming met de Programmastichting, gezamenlijk worden ingediend.
3. De vaststelling van het aantal leden door het Commissariaat geschiedt op een door Onze Minister te bepalen peildatum.
4. Het Commissariaat kan nadere regels stellen omtrent de gegevens die door de
omroepverenigingen ten behoeve van de vaststelling van het aantal leden ter beschikking
worden gesteld, de wijze waarop deze gegevens ter beschikking worden gesteld, en de wijze
waarop de vaststelling geschiedt.
Artikel 33
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de periode waarin en
de wijze waarop aanvragen voor een concessie worden ingediend, de terinzagelegging van de
aanvragen, de termijn waarbinnen besluiten op een aanvraag worden genomen, en het tijdstip
waarop een concessie in werking treedt.
Artikel 34
Alvorens op de ingediende aanvragen voor een concessie te beslissen, hoort Onze
Minister een daartoe door hem ingestelde, deskundige adviescommissie. Na het uitbrengen
van het advies wordt de commissie ontbonden.
Artikel 34a (Vervallen)
Artikel 34b (Vervallen)
Artikel 35
1. Met inachtneming van het tweede lid, bepaalt Onze Minister bij de concessieverlening op welk televisieprogrammanet de zendtijd voor televisie van de concessionaris tussen 16.00 uur en 24.00 uur zal worden ingedeeld. Hij kan daarbij tevens bepalen op welk televisieprogrammanet de zendtijd voor televisie van de Programmastichting tussen 16.00 uur en 24.00 uur zal worden ingedeeld.
2. Indien ten minste drie concessionarissen, onderscheidenlijk ten minste twee concessionarissen en de Programmastichting, met toepassing van de laatste zin van artikel 32, tweede lid, zich blijkens hun aanvraag hebben verbonden hun televisieprogramma's op hetzelfde televisieprogrammanet te verzorgen, en zij een rechtspersoon als bedoeld in artikel 51 hebben opgericht of zich hebben verbonden uiterlijk op het tijdstip van inwerkingtreding van de concessie een dergelijke rechtspersoon te zullen oprichten, zal hun zendtijd voor televisie tussen 16.00 uur en 24.00 uur op hetzelfde televisieprogrammanet worden ingedeeld.
3. Onze Minister deelt bij de concessieverlening mede of de concessionaris wordt aangemerkt als een omroepvereniging A, B of C.
4. Een omroepvereniging wordt aangemerkt als een omroepvereniging A, B of C, naargelang het Commissariaat voor de Media heeft vastgesteld dat zij het volgende aantal leden heeft:
a. omroepvereniging A: ten minste 450.000 leden;
b. omroepvereniging B: ten minste 300.000, doch minder dan 450.000 leden;
c. omroepvereniging C: ten minste 150.000, doch minder dan 300.000 leden.
Artikel 36
1. Een aanvraag voor een concessie wordt afgewezen, indien niet wordt voldaan aan het vereiste van artikel 31, vierde lid.
2. Een aanvraag voor een concessie kan daarnaast slechts worden afgewezen, indien:
a. niet wordt voldaan aan een bij of krachtens de artikelen 32 en 33 gesteld vereiste;
b. aannemelijk is dat de aanvrager zich, mede gelet op zijn handelwijze in een voorafgaande periode waarin hij zendtijd heeft gehad, niet aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften zal houden; of
c. uit het beleidsplan naar het oordeel van Onze Minister onvoldoende blijkt dat:
1. in het programmabeleid de identiteit van de aanvrager tot uitdrukking komt;
2. het programma voldoet aan de daaraan in artikel 50 gestelde eisen; of
3. de bereidheid bestaat tot samenwerking met andere aanvragers, met educatieve
omroepinstellingen of met de Programmastichting, voor zover die hun televisieprogramma op
hetzelfde televisieprogrammanet wensen te verzorgen.
Artikel 36a
1. Indien een concessionaris tijdens de concessieperiode, bedoeld in artikel 31, derde lid, wijzigingen wil aanbrengen in zijn beleidsplan, brengt hij de voorgenomen wijzigingen ter kennis van Onze Minister.
2. De wijzigingen kunnen worden aangebracht, indien Onze Minister niet binnen acht weken nadat hij van de voorgenomen wijzigingen in kennis is gesteld, daartegen bedenkingen heeft ingebracht.
3. Onze Minister brengt uitsluitend bedenkingen in tegen voorgenomen wijzigingen,
indien hij een aanvraag voor een concessie, vergezeld van het beleidsplan zoals het zou
luiden na het aanbrengen van de voorgenomen wijzigingen, zou hebben afgewezen op een of
meer van de gronden, bedoeld in artikel 36, tweede lid, onderdeel c.
Artikel 36b (Vervallen)
Artikel 36c
1. Onze Minister trekt een concessie in, indien de concessionaris niet meer voldoet aan artikel 14, eerste lid.
2. Onze Minister kan een concessie intrekken, indien het Commissariaat voor de Media aan de concessionaris binnen een periode van één jaar ten minste tweemaal ter zake van overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet een sanctie heeft opgelegd, waaronder ten minste eenmaal een sanctie als bedoeld in artikel 46, eerste lid.
3. Bij een intrekking van een concessie kan Onze Minister, voor zover nodig, herzien
zijn besluit, bedoeld in artikel 35, eerste lid, ten aanzien van de andere
concessionarissen, alsmede zijn besluit, bedoeld in artikel 37c, ten aanzien van de
houders van een voorlopige concessie, onverminderd artikel 35, tweede lid.
§2. Voorlopige concessies aan omroepverenigingen
Artikel 37
1. Onze Minister kan aan omroepverenigingen voorlopige concessies verlenen voor landelijke omroep.
2. Een voorlopige concessie heeft steeds betrekking op zowel televisie als radio.
3. Voorlopige concessies worden eenmaal in de vijf jaren verleend voor een, voor alle houders van een voorlopige concessie gelijke, periode van twee jaren, samenvallend met de laatste twee jaren van de concessieperiode, bedoeld in artikel 31, derde lid, eerste zin. De voorlopige concessies vervallen na afloop van deze periode.
4. Voor een voorlopige concessie komen slechts in aanmerking omroepverenigingen:
a. die niet een concessie als bedoeld in artikel 31 hebben verkregen; en
b. waarvan het Commissariaat voor de Media heeft vastgesteld dat zij ten minste 60.000 leden hebben.
5. Een voorlopige concessie geeft aan de houder gedurende de periode waarvoor de voorlopige concessie geldt, recht op zendtijd en op een financiële bijdrage voor de verzorging van zijn programma.
6. Een omroepvereniging die een voorlopige concessie heeft verkregen, is verplicht
gedurende de periode waarvoor de voorlopige concessie geldt, een televisie- en een
radioprogramma voor landelijke omroep te verzorgen.
Artikel 37a
1. Een aanvraag voor een voorlopige concessie gaat vergezeld van:
a. een beleidsplan; en
b. een opgave van het door het Commissariaat voor de Media vastgestelde aantal leden van de omroepvereniging.
2. In het beleidsplan wordt opgenomen het programmabeleid van de omroepvereniging, mede in het licht van artikel 50, eerste, tweede en derde lid. Tevens dient uit het beleidsplan te blijken dat het programma dat de omroepvereniging voornemens is te verzorgen, zowel voor wat betreft de keuze van de programma-onderdelen en de onderwerpen daarin als voor wat betreft de strekking van die programma-onderdelen, in zodanige mate afwijkt van de programma's die worden verzorgd door de omroepverenigingen die zendtijd hebben verkregen, dat het de verscheidenheid in de landelijke omroep vergroot.
3. Het bepaalde bij of krachtens artikel 32, derde en vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 37b
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de periode waarin en
de wijze waarop aanvragen voor een voorlopige concessie worden ingediend, de
terinzagelegging van de aanvragen, de termijn waarbinnen besluiten op een aanvraag worden
genomen, en het tijdstip waarop een concessie in werking treedt.
Artikel 37c
Onze Minister bepaalt bij de verlening van de voorlopige concessie op welk
televisieprogrammanet de zendtijd voor televisie van de omroepvereniging die een
voorlopige concessie heeft verkregen, tussen 16.00 uur en 24.00 uur zal worden ingedeeld.
Artikel 37d
1. Een aanvraag voor een voorlopige concessie wordt afgewezen, indien niet wordt voldaan aan het vereiste van artikel 37, vierde lid.
2. Een aanvraag voor een voorlopige concessie kan daarnaast slechts worden afgewezen, indien:
a. niet wordt voldaan aan een bij of krachtens de artikelen 37a en 37b gesteld vereiste;
b. aannemelijk is dat de aanvrager zich niet aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften zal houden; of
c. uit het beleidsplan naar het oordeel van Onze Minister onvoldoende blijkt dat:
1. in het programmabeleid de identiteit van de aanvrager tot uitdrukking komt; of
2. het programma voldoet aan de daaraan in artikel 50 gestelde eisen.
Artikel 37e
1. Indien een omroepvereniging die een voorlopige concessie heeft verkregen, tijdens de periode waarvoor de voorlopige concessie geldt, wijzigingen wil aanbrengen in haar beleidsplan, brengt zij de voorgenomen wijzigingen ter kennis van Onze Minister.
2. De wijzigingen kunnen worden aangebracht, indien Onze Minister niet binnen acht weken nadat hij van de voorgenomen wijzigingen in kennis is gesteld, daartegen bedenkingen heeft ingebracht.
3. Onze Minister brengt uitsluitend bedenkingen in tegen voorgenomen wijzigingen,
indien hij een aanvraag voor een voorlopige concessie, vergezeld van het beleidsplan zoals
het zou luiden na het aanbrengen van de voorgenomen wijzigingen, zou hebben afgewezen op
een of meer van de gronden, bedoeld in artikel 37d, tweede lid, onderdeel c, of omdat niet
wordt voldaan aan artikel 37a, tweede lid, tweede zin.
Artikel 38
1. Onze Minister trekt een voorlopige concessie in, indien de houder van de voorlopige concessie niet meer voldoet aan artikel 14, eerste lid.
2. Onze Minister kan een voorlopige concessie intrekken, indien het Commissariaat voor
de Media aan de omroepvereniging die de voorlopige concessie heeft verkregen, binnen een
periode van één jaar ten minste tweemaal ter zake van overtreding van het bepaalde bij
of krachtens deze wet een sanctie heeft opgelegd, waaronder ten minste eenmaal een sanctie
als bedoeld in artikel 46, eerste lid.
Titel 3. De zendtijd en de programmanetten
AFDELING 1. LANDELIJKE OMROEP
§1. Beschikbaarstelling en toewijzing van zendtijd
Artikel 39
1. De omroepverenigingen die een concessie hebben verkregen, hebben de beschikking over de hierna te noemen zendtijd voor landelijke omroep:
a. omroepverenigingen A: per jaar 650 uren voor televisie en 3.000 uren voor radio;
b. omroepverenigingen B: per jaar 390 uren voor televisie en 1.800 uren voor radio;
c. omroepverenigingen C: per jaar 130 uren voor televisie en 600 uren voor radio;
d. omroepverenigingen die een voorlopige concessie hebben verkregen: per jaar 65 uren voor televisie en 300 uren voor radio.
2. De omroepverenigingen A, B en C zijn gerechtigd meer zendtijd te gebruiken dan de zendtijd, bedoeld in het eerste lid.
3. De omroepverenigingen die een voorlopige concessie hebben verkregen, hebben
uitsluitend zendtijd in de laatste twee jaren van de concessieperiode, bedoeld in artikel
31, derde lid, eerste zin.
Artikel 39a
1. De Programmastichting heeft per jaar de beschikking over 650 uren zendtijd voor televisie en 3.000 uren zendtijd voor radio.
2. De Programmastichting is gerechtigd meer zendtijd te gebruiken dan de zendtijd,
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 39a1
1. De Stichting heeft per jaar de beschikking over 1300 uren zendtijd voor televisie en 1500 uren zendtijd voor radio.
2. De Stichting is gerechtigd meer zendtijd te gebruiken dan de zendtijd, bedoeld in het eerste lid.
3. De Stichting heeft tevens, met uitsluiting van de andere instellingen die zendtijd hebben verkregen, de beschikking over zendtijd voor een teletekstprogramma voor landelijke omroep. Deze zendtijd is gelijk aan de tijd dat door middel van de desbetreffende zenders het programma van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, of een toetsbeeld wordt uitgezonden.
4. In afwijking van het derde lid, is het toegestaan dat de Stichting Etherreclame,
met inachtneming van artikel 39b, een deel van de zendtijd voor het teletekstprogramma
voor landelijke omroep gebruikt.
Artikel 39b
De Stichting Etherreclame heeft per jaar de beschikking over een bij algemene maatregel
van bestuur vast te stellen percentage van de totale gebruikte zendtijd voor landelijke
omroep. Dit percentage is niet hoger dan tien en kan verschillen voor televisie en voor
radio.
Artikel 39c
1. Onze Minister stelt jaarlijks vast hoeveel zendtijd voor landelijke televisie-omroep, onderscheidenlijk radio-omroep, beschikbaar is voor de instellingen die in aanmerking komen voor toewijzing van zendtijd voor landelijke omroep door het Commissariaat voor de Media overeenkomstig de artikelen 39e tot en met 39h.
2. Onze Minister kan daarbij bepalen dat een door hem aan te geven hoeveelheid zendtijd wordt toegewezen aan bepaalde categorieën instellingen, dan wel wordt ingedeeld op bepaalde programmanetten.
3. Het Commissariaat voor de Media wijst de zendtijd, bedoeld in het eerste lid, jaarlijks toe.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de periode waarin
en de wijze waarop aanvragen voor toewijzing van zendtijd worden ingediend, de termijn
waarbinnen besluiten op een aanvraag worden genomen, en het tijdstip waarop de toewijzing
van zendtijd in werking treedt.
Artikel 39d (vervallen)
Artikel 39e
1. Het Commissariaat voor de Media wijst eenmaal in de vijf jaren voor een periode van vijf jaren zendtijd voor landelijke omroep toe aan een of meer educatieve omroepinstellingen. De zendtijd vervalt na afloop van deze periode.
2. Indien in een educatieve omroepinstelling twee of meer organisaties samenwerken, kan het Commissariaat bij de toewijzing van zendtijd vaststellen welk percentage van de toegewezen zendtijd door de onderscheidene organisaties binnen het samenwerkingsverband wordt aangewend voor de verzorging van het programma.
3. Onder goedkeuring van Onze Minister, kan het Commissariaat aan de toewijzing van zendtijd aan educatieve omroepinstellingen voorschriften verbinden ten aanzien van de coördinatie van educatieve programma-onderdelen en de samenwerking tussen educatieve omroepinstellingen.
4. Onze Minister kan bepalen dat het Commissariaat zendtijd voor een educatief
programma voor landelijke omroep toewijst aan de Stichting, in plaats van of naast de
zendtijd die is toegewezen aan educatieve omroepinstellingen. In dat geval is artikel 170,
tweede lid, van overeenkomstige toepassing op de Stichting, voor zover het betreft haar
educatieve programma, bedoeld in de vorige zin.
Artikel 39f
1. Het Commissariaat voor de Media kan eenmaal in de vijf jaren voor een periode van vijf jaren zendtijd voor landelijke omroep toewijzen aan kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag, dan wel aan rechtspersonen waarin twee of meer van deze genootschappen samenwerken. De zendtijd vervalt na afloop van deze periode.
2. Het Commissariaat kan zendtijd als bedoeld in het eerste lid ook in andere jaren toewijzen met dien verstande dat deze zendtijd vervalt op het tijdstip waarop de zendtijd, bedoeld in het eerste lid, vervalt.
3. De kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag die zendtijd hebben
verkregen, zijn gerechtigd de verzorging van hun programma's op te dragen aan hetzij de
Stichting, hetzij een omroepvereniging die zendtijd heeft verkregen, hetzij een door hen
in het leven geroepen orgaan.
Artikel 39g
1. Het Commissariaat voor de Media wijst zendtijd voor landelijke omroep toe aan politieke partijen en groeperingen die bij de laatstgehouden verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal een of meer zetels hebben verworven.
2. Het Commissariaat voor de Media wijst zendtijd voor landelijke omroep toe aan
politieke partijen en groeperingen die in alle kieskringen aan de verkiezing van de leden
van de Tweede Kamer der Staten-Generaal deelnemen, alsmede aan politieke partijen en
groeperingen die in Nederland aan de verkiezing van leden van het Europees Parlement
deelnemen. In afwijking van artikel 39c, derde lid, wordt deze zendtijd niet jaarlijks
toegewezen, doch uitsluitend in een door het Commissariaat te bepalen periode,
onmiddellijk voorafgaande aan de dag die in Nederland voor de desbetreffende verkiezing is
vastgesteld.
Artikel 39h
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden, op voordracht van Onze Minister-President na overleg met Onze Minister, regels gesteld met betrekking tot het toewijzen van zendtijd voor landelijke omroep door het Commissariaat voor de Media ten behoeve van overheidsvoorlichting. Bij deze algemene maatregel van bestuur kan tevens worden bepaald dat, in afwijking van artikel 39a1, derde lid, daarvoor ook een deel van de zendtijd voor het teletekstprogramma voor landelijke omroep kan worden toegewezen.
2. De zendtijd wordt toegewezen aan de ministers voor het gebruik door
overheidsinstellingen of personen die daartoe door hen zijn aangewezen.
Artikel 39i
Onder goedkeuring door Onze Minister, kan het Commissariaat voor de Media in bijzondere
gevallen of voor bijzondere doeleinden zendtijd toewijzen boven de zendtijd, bedoeld in
artikel 39c, eerste lid. Daarbij kan worden afgeweken van het bepaalde krachtens artikel
39c, tweede lid.
§2. De televisieprogrammanetten
Artikel 40
Voor landelijke televisie-omroep door instellingen die zendtijd hebben verkregen,
zijn drie televisieprogrammanetten beschikbaar: TV 1, 2 en 3.
Artikel 40a
1. Elk televisieprogrammanet heeft een netbestuur dat als volgt is samengesteld:
a. de omroepverenigingen A, B en C, wier zendtijd voor televisie krachtens artikel 41b, eerste lid, onderdeel b, is ingedeeld op het desbetreffende programmanet, benoemen elk een lid;
b. de educatieve omroepinstellingen, kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag, wier zendtijd voor televisie is ingedeeld op het desbetreffende programmanet, benoemen gezamenlijk één lid;
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de Programmastichting aangemerkt als een omroepvereniging A.
3. De raad van bestuur van de Stichting wijst een waarnemer aan die het recht heeft de vergaderingen van het netbestuur bij te wonen, indien het programma van de Stichting aan de orde is.
4. Ieder netbestuur wijst uit zijn midden een voorzitter aan. Het richt zijn
werkzaamheden naar eigen inzicht in.
Artikel 40b
1. Het netbestuur is belast met:
a. het vaststellen van de programmatische uitgangspunten van het televisieprogrammanet, rekening houdend met de algemene uitgangspunten, bedoeld in artikel 18b, tweede lid, onderdeel a;
b. het vaststellen van het televisieprogrammanet-meerjarenplan, bedoeld in artikel 98a.
2. De programmatische uitgangspunten van het televisieprogrammanet kunnen slechts
worden vastgesteld of gewijzigd, indien alle leden van het netbestuur daarvoor hebben
gestemd.
Artikel 40c
1. Ten behoeve van de coördinatie op de verschillende televisieprogrammanetten benoemt de raad van bestuur voor ieder televisieprogrammanet een netcoördinator. De netcoördinator is in dienst van de Stichting.
2. De benoeming van een netcoördinator behoeft de instemming van het netbestuur, tenzij de benoeming is geschied op voordracht van het netbestuur.
3. Iedere netcoördinator heeft tot taak zorg te dragen voor de onderlinge afstemming van de programma's en programma-onderdelen op het televisieprogrammanet.
4. De netcoördinator is voorts belast met:
a. het bevorderen van de samenwerking tussen de instellingen wier zendtijd is ingedeeld op het desbetreffende televisieprogrammanet;
b. het opstellen van de programmatische uitgangspunten van het televisieprogrammanet;
c. het opstellen van het televisieprogrammanet-meerjarenplan, bedoeld in artikel 98a;
d. het doen van een voorstel aan de raad van bestuur voor zendtijdindeling op het programmanet;
e. het ontwikkelen van gezamenlijke projecten.
Artikel 40d
1. De netcoördnator neemt besluiten ter uitvoering van zijn taak, bedoeld in artikel 40c, derde lid, in naam van de raad van bestuur.
2. Voor de toepassing van afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht wordt
de raad van bestuur aangemerkt als mandaatgever. In afwijking van artikel 10:8 van de
Algemene wet bestuursrecht, kan de raad van bestuur het mandaat niet intrekken.
Artikel 40e
1. Iedere netcoördinator wordt bijgestaan door een netredactie die als volgt is samengesteld:
a. de omroepverenigingen A, B en C, wier zendtijd voor televisie krachtens artikel 41b, eerste lid, onderdeel b, is ingedeeld op het desbetreffende programmanet, benoemen elk één lid;
b. de educatieve omroepinstellingen, kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag, wier zendtijd voor televisie is ingedeeld op het desbetreffende programmanet, benoemen elk één lid.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de Programmastichting aangemerkt als een omroepvereniging A.
3. De raad van bestuur van de Stichting wijst een waarnemer aan die het recht heeft de vergaderingen van de netredactie bij te wonen, indien het programma van de Stichting aan de orde is.
4. Met het lidmaatschap van de netredactie is onverenigbaar:
a. het lidmaatschap van het netbestuur;
b. het lidmaatschap van het bestuur van een omroepvereniging of de Programmastichting;
c. het lidmaatschap van de raad van bestuur of de raad van toezicht van de Stichting.
5. De netredactie richt haar werkzaamheden naar eigen inzicht in.
Artikel 40f
1. Voor landelijke radio-omroep door instellingen die zendtijd hebben verkregen, zijn vijf radioprogrammanetten beschikbaar: Radio 1, 2, 3, 4 en 5.
2. De onderscheidene radioprogrammanetten zijn in het bijzonder bestemd voor de uitzending van de volgende categorieën programma-onderdelen:
a. Radio 1: programma-onderdelen van informatieve aard, bestaande uit nieuws en actualiteiten;
b. Radio 2: programma-onderdelen, bestaande uit lichte muziek, informatie en verstrooiing;
c. Radio 3: programma-onderdelen, bestaande uit populaire muziek en gericht op een jong publiek;
d. Radio 4: programma-onderdelen, bestaande uit klassieke muziek, waaronder moderne klassieke muziek;
e. Radio 5: programma-onderdelen van informatieve en educatieve aard, gericht op specifieke publieksgroepen, waaronder programma-onderdelen van informatieve en educatieve aard ten behoeve van allochtonen in de eigen taal.
3. De raad van bestuur draagt, met inachtneming van het coördinatiereglement,
bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel c, er zorg voor dat de op een
radioprogrammanet uit te zenden programma-onderdelen passen binnen het kader dat in het
tweede lid voor het desbetreffende programmanet wordt aangegeven.
Artikel 40g
1. Ten behoeve van de coördinatie op de radioprogrammanetten benoemt de raad van bestuur voor ieder radioprogrammanet een netcoördinator. De netcoördinator is in dienst van de Stichting.
2. Iedere netcoördinator heeft tot taak zorg te dragen voor de onderlinge afstemming van de programma's en programma-onderdelen op het programmanet. De netcoördinator is tevens belast met de uitvoering van de in artikel 40f, derde lid, bedoelde taak van de raad van bestuur.
3. De netcoördinator is voorts belast met:
a. het bevorderen van samenwerking tussen de instellingen wier zendtijd voor radio op het desbetreffende programmanet is ingedeeld;
b. het opstellen van het radioprogrammanet-meerjarenplan, bedoeld in artikel 98b, gehoord de netredactie;
c. het doen van een voorstel aan de raad van bestuur voor zendtijdindeling op het
programmanet.
Artikel 40h
Artikel 40d is van overeenkomstige toepassing op besluiten van de netcoördinator
ter uitvoering van zijn taken, bedoeld in artikel 40g, tweede lid.
Artikel 40i
1. Iedere netcoördinator wordt bijgestaan door een netredactie die bestaat uit een aantal leden dat gelijk is aan het aantal instellingen wier zendtijd voor radio op het desbetreffende programmanet is ingedeeld, met uitzondering van de Stichting Etherreclame, de politieke partijen en groeperingen en de overheid. Iedere instelling benoemt één lid, met uitzondering van de instellingen, genoemd in de vorige zin.
2. Met het lidmaatschap van de netredactie is onverenigbaar:
a. het lidmaatschap van het bestuur van een omroepvereniging of de Programmastichting;
b. het lidmaatschap van de raad van bestuur of de raad van toezicht van de Stichting.
3. De netredactie richt haar werkzaamheden naar eigen inzicht in.
§4. Indeling van zendtijd
Artikel 41
1. De raad van bestuur deelt jaarlijks, gehoord de netcoördinatoren, de zendtijd voor landelijke omroep in.
2. De raad van bestuur kan, voor zover nodig, de zendtijdindeling herzien, indien:
a. met toepassing van artikel 36c of 38 een concessie, onderscheidenlijk een voorlopige concessie, wordt ingetrokken;
b. met toepassing van een van de artikelen 45 tot en met 47 de aan een instelling toegewezen zendtijd voor landelijke omroep wordt ingetrokken of verminderd; of
c. tussentijds door het Commissariaat voor de Media aan een instelling zendtijd voor landelijke omroep wordt toegewezen.
3. De raad van bestuur kan voorts de zendtijdindeling herzien, voor zover hij dat nodig acht:
a. in het kader van de coördinatie, op en tussen de verschillende programmanetten, van de programma-onderdelen van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep; of
b. op grond van omstandigheden die niet voorzien waren ten tijde van de
zendtijdindeling.
Artikel 41a
1. Met inachtneming van artikel 39b, wordt de zendtijd van de Stichting Etherreclame zodanig ingedeeld, dat:
a. deze zendtijd per dag op een programmanet niet meer bedraagt dan vijftien procent van de op dat programmanet gebruikte zendtijd;
b. deze zendtijd per klokuur niet meer bedraagt dan twaalf minuten;
c. op zondagen de programma-onderdelen van de Stichting Etherreclame niet onmiddellijk voorafgaan aan of aansluiten op programma-onderdelen van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard, tenzij de voor dat programma-onderdeel verantwoordelijke instelling die zendtijd heeft verkregen, daartegen geen bedenkingen heeft ingebracht; en
d. de programma-onderdelen van de andere instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, slechts worden onderbroken door programma-onderdelen van de Stichting Etherreclame, indien:
1. het programma-onderdeel bestaat uit het verslag of de weergave van een sportevenement, een podiumvoorstelling, of van andere voorstellingen of evenementen die op overeenkomstige wijze zijn gestructureerd;
2. het programma-onderdeel het volledige verslag van de voorstelling of het evenement bevat;
3. de onderbreking geschiedt tijdens de in de voorstelling of het evenement voorkomende gebruikelijke pauzes of tussen de daarin voorkomende zelfstandige onderdelen; en
4. de voor het programma-onderdeel verantwoordelijke instelling die zendtijd heeft verkregen, geen bedenkingen heeft ingebracht tegen de onderbreking wegens afbreuk aan de integriteit, het karakter of de samenhang van het programma-onderdeel.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de onderbreking van programma-onderdelen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de zendtijd voor televisie
van de Stichting Etherreclame slechts kan worden ingedeeld met inachtneming van een bij
die algemene maatregel van bestuur vast te stellen minimum duur per blok.
Artikel 41b
1. Met inachtneming van de artikelen 35, eerste lid, 37c, 39c, tweede lid, en 41a, wordt de zendtijd voor landelijke televisie-omroep zodanig ingedeeld, dat:
a. het televisieprogramma van de Programmastichting tussen 16.00 uur en 24.00 uur steeds op hetzelfde televisieprogrammanet wordt uitgezonden;
b. het televisieprogramma van een omroepvereniging die zendtijd heeft verkregen, tussen 16.00 uur en 24.00 uur steeds op hetzelfde televisieprogrammanet wordt uitgezonden;
c. op ieder televisieprogrammanet in ieder geval dagelijks tussen 16.00 uur en 24.00 uur programma's van instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, worden uitgezonden; en
d. op twee televisieprogrammanetten dagelijks tussen 02.00 uur en 07.00 uur geen programma's van instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, worden uitgezonden.
2. De raad van bestuur kan in het kader van de coördinatie op en tussen de verschillende programmanetten tot ten hoogste 260 uren per jaar per instelling afwijken van het eerste lid, onderdelen a en b. De raad van bestuur kan hiertoe slechts besluiten, indien door de omroepvereniging, respectievelijk de Programmastichting, die het betreft, daartegen geen bedenkingen zijn ingebracht en na overleg met het netbestuur van het programmanet waarop de zendtijd in afwijking van het eerste lid, onderdeel a of b, zal worden ingedeeld.
3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op het teletekstprogramma.
Artikel 41c
1. Met inachtneming van de artikelen 39c, tweede lid, 40f, tweede lid, en 41a, wordt de zendtijd voor landelijke radio-omroep zodanig ingedeeld, dat:
a. de programma's van de omroepverenigingen A, B en C welke niet de wens te kennen hebben gegeven dat hun programma's op alle radioprogrammanetten worden uitgezonden, op ten minste een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen aantal radioprogrammanetten worden uitgezonden;
b. op ten minste twee radioprogrammanetten 24 uur per dag programma's van instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, worden uitgezonden; en
c. op de overige radioprogrammanetten in ieder geval dagelijks tussen 07.00 uur en 24.00 uur programma's van instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, worden uitgezonden.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald hoeveel uren zendtijd voor
radio van een omroepvereniging A, B of C jaarlijks ten minste op de radioprogrammanetten,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, zullen worden ingedeeld.
AFDELING 2. LOKALE EN REGIONALE OMROEP
Artikel 42
1. Het Commissariaat voor de Media kan voor lokale en regionale omroep zendtijd toewijzen aan een lokale onderscheidenlijk een regionale omroepinstelling, op aanvraag van die instelling.
2. Er kan per gemeente slechts aan één lokale omroepinstelling zendtijd worden toegewezen. Indien meer dan één omroepinstelling aan de eisen voldoet die deze wet aan een lokale omroepinstelling stelt, bevordert de gemeente het samengaan van die instellingen. Indien zij daarin niet slaagt wijst het Commissariaat de zendtijd toe aan één van de instellingen. Het slaat daarbij acht op alle factoren die voor het functioneren van de instelling van belang kunnen zijn. Het Commissariaat kan daarbij tevens op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 51f, tweede lid, de dagen en uren aanwijzen waarop de programma's van de lokale omroepinstelling en de regionale omroepinstelling worden uitgezonden op de voor de lokale omroepinstelling aangewezen zender.
3. Aan een omroepinstelling wier programma bestemd is voor meer dan één gemeente of provincie, wordt alleen dan voor dat gebied zendtijd toegewezen, indien de besturen van de betreffende gemeenten of provincies het in artikel 43, eerste lid, bedoelde advies gezamenlijk hebben uitgebracht.
4. De zendtijd voor lokale en regionale omroep wordt telkenmale voor tenminste vijf jaar toegewezen. Het Commissariaat kan jaarlijks de totale hoeveelheid zendtijd voor lokale of regionale omroep toewijzen. Het Commissariaat kan de dagen, uren en programmanetten aanwijzen waarop de programma's van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor lokale en regionale omroep zullen worden uitgezonden.
5. De wijze waarop aanvragen tot toewijzing van zendtijd worden ingediend, de termijn waarbinnen beslissingen daarop worden genomen en de termijn waarop adviezen worden uitgebracht en waarop beslissingen inzake toewijzing of intrekking van zendtijd voor lokale en regionale omroep in werking treden, worden bij algemene maatregel van bestuur geregeld.
6. Indien er in een provincie geen regionale omroepinstelling is kan op aanvraag van het provinciaal bestuur zendtijd voor regionale omroep worden toegewezen aan de Stichting. In dat geval treedt de Stichting voor de toepassing van de desbetreffende bepalingen in de plaats van een regionale omroepinstelling.
7. Indien de zendtijd is toegewezen aan de Stichting stelt deze een regionale programmaraad in. Het bepaalde in artikel 30, onder c, is van overeenkomstige toepassing.
8. Indien zendtijd is toegewezen aan een lokale of regionale omroepinstelling kan het Commissariaat zendtijd toewijzen voor lokale en regionale omroep aan een gemeentebestuur en provinciaal bestuur ten behoeve van overheidsvoorlichting. Deze zendtijd bedraagt ten hoogste vijf percent van de zendtijd toegewezen aan de omroepinstelling. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld.
9. Indien aan een lokale of regionale omroepinstelling zendtijd is toegewezen voor een
televisieprogramma, heeft die instelling tevens zendtijd voor het verzorgen van een
teletekstprogramma dat wordt uitgezonden met het televisiesignaal, dat de zender uitzendt
met het oog op het in het eerste en achtste lid bedoelde programma, of een toetsbeeld.
Artikel 43
1. De toewijzing van zendtijd aan lokale en regionale omroepinstellingen geschiedt eerst nadat de gemeente dan wel de provincie heeft geadviseerd over de vraag of de instelling aan de eisen voldoet die deze wet stelt.
2. De gemeente dan wel de provincie brengt éénmaal in de vijf jaren aan het Commissariaat voor de Media advies uit over de vraag of de lokale of regionale omroepinstelling naar haar oordeel nog voldoet aan de in artikel 30 gestelde eisen. Indien binnen deze termijn ernstige twijfel bestaat of de lokale of regionale omroepinstelling nog aan de in artikel 30 gestelde eisen voldoet, kan het Commissariaat een tussentijds advies vragen.
3. Voor regionale omroep wordt slechts zendtijd toegewezen indien het provinciaal
bestuur zich bereid verklaart voor de bekostiging zorg te dragen.
Artikel 43a
Het is een lokale of regionale omroepinstelling waaraan zendtijd is toegewezen,
toegestaan programma-onderdelen te verzorgen die bestaan uit reclameboodschappen die zijn
aangeboden door derden, alsmede een omlijsting daarvan.
Artikel 43b
1. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 39b, 41a en 50, achtste lid, met betrekking tot de zendtijd van de Stichting Etherreclame is van overeenkomstige toepassing op de verzorging door lokale en regionale omroepinstellingen van programma-onderdelen als bedoeld in artikel 43a.
2. Lokale en regionale omroepinstellingen die programma-onderdelen als bedoeld in
artikel 43a verzorgen, dragen er zorg voor dat zij rechtstreeks of door middel van een
belangenorganisatie aangesloten zijn bij de Nederlandse Reclame Code of een vergelijkbare
door de Stichting Reclame Code tot stand gebrachte regeling en ter zake onderworpen zijn
aan het toezicht van de Stichting Reclame Code. Zij tonen dit aan door middel van een aan
het Commissariaat voor de Media over te leggen schriftelijke verklaring van de Stichting
Reclame Code.
Artikel 43c
1. De inkomsten die worden verworven door de uitzending van de in artikel 43a bedoelde programma-onderdelen worden, na aftrek van de kosten die verband houden met de verzorging van die programma-onderdelen en het met toepassing van artikel 128 vastgestelde bedrag, aangewend voor de verzorging van de overige programma-onderdelen.
2. Lokale en regionale omroepinstellingen die programma-onderdelen als bedoeld in artikel 43a verzorgen, voldoen jaarlijks het met toepassing van artikel 128 vastgestelde bedrag aan het Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat stelt dit bedrag ter beschikking van Onze Minister.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop inzicht moet worden verschaft in de financiën die op de exploitatie van de verzorging en uitzending van de programma-onderdelen als bedoeld in artikel 43a betrekking hebben.
4. Artikel 64, eerste lid, onderdeel d, is van overeenkomstige toepassing op lokale en
regionale omroepinstellingen die programma-onderdelen als bedoeld in artikel 43a
verzorgen, en hun medewerkers.
Artikel 43d (Vervallen)
AFDELING 3. HET VERVALLEN, INTREKKEN EN HERZIEN VAN ZENDTIJD
Artikel 44
De zendtijd van een omroepvereniging die een concessie, onderscheidenlijk een
voorlopige concessie, heeft verkregen, vervalt op het tijdstip waarop de concessie,
onderscheidenlijk voorlopige concessie, vervalt of wordt ingetrokken.
Artikel 45
1. Het Commissariaat voor de Media trekt de met toepassing van een van de artikelen 39e, 39f, 39g of 42 toegewezen zendtijd in, wanneer de desbetreffende instelling niet meer voldoet aan de eisen die worden gesteld om voor toewijzing in aanmerking te komen.
2. Indien van een instelling de toegewezen zendtijd is ingetrokken op grond van het eerste lid, kan zij gedurende één jaar daarna geen aanvraag tot toewijzing van zendtijd indienen.
3. In afwijking van het eerste lid, trekt het Commissariaat de zendtijd die is toegewezen aan een lokale of regionale omroepinstelling die niet meer voldoet aan een in artikel 30, onderdeel b of c, gesteld vereiste, niet in dan nadat de desbetreffende omroepinstelling gedurende één jaar, gerekend van de dag waarop dit feit is geconstateerd, in de gelegenheid is gesteld wederom aan dit vereiste te voldoen en zij daarin niet is geslaagd.
4. Toewijzing van zendtijd aan een regionale omroepinstelling die binnen twee jaar in
de plaats komt van een instelling die eerder zendtijd voor regionale omroep had verkregen,
houdt in dat de eerstgenoemde wordt gezien als rechtsopvolger onder algemene titel van de
laatstgenoemde.
Artikel 46
1. Indien de Programmastichting of een omroepvereniging die een concessie, onderscheidenlijk voorlopige concessie, heeft verkregen, niet voldoet aan de verplichtingen die bij of krachtens deze wet voor haar gelden, kan het Commissariaat voor de Media de aan de desbetreffende instelling ter beschikking gestelde zendtijd voor een periode van ten hoogste twaalf weken intrekken.
2. In geval van zendtijdintrekking als bedoeld in het eerste lid wordt de zendtijd die krachtens artikel 39, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 39a, eerste lid, in het jaar waarin de intrekking plaatsvindt aan de desbetreffende instelling ter beschikking is gesteld, van rechtswege evenredig verminderd.
3. Gedurende de periode waarvoor de zendtijd op grond van het eerste lid is ingetrokken, is artikel 39, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 39a, tweede lid, niet van toepassing.
4. Gedurende de periode waarvoor de zendtijd op grond van het eerste lid is
ingetrokken, bestaat geen recht op de vergoeding, bedoeld in artikel 104, eerste lid.
Artikel 46a
1. Indien een andere instelling dan bedoeld in artikel 46, eerste lid, die zendtijd heeft verkregen, niet voldoet aan de verplichtingen die bij of krachtens deze wet voor haar gelden, kan het Commissariaat voor de Media de aan die instelling toegewezen zendtijd intrekken of verminderen.
2. Gedurende de periode waarvoor de zendtijd op grond van het eerste lid is
ingetrokken, bestaat geen recht op de vergoeding, bedoeld in artikel 104, tweede en derde
lid. Gedurende de periode waarvoor de zendtijd op grond van het eerste lid is verminderd,
wordt de vergoeding, bedoeld in artikel 104, tweede en derde lid, evenredig verminderd.
Artikel 47
Bij een intrekking of vermindering van zendtijd voor landelijke omroep krachtens
artikel 46a, alsmede bij een tussentijdse toewijzing van zendtijd op grond van een van de
artikelen 39e tot en met 39h, kan het Commissariaat voor de Media, voor zover
nodig, de toewijzing van zendtijd aan de andere instellingen, bedoeld in de artikelen 39e
tot en met 39h, herzien.
Titel 4. Rechten en verplichtingen van de instellingen die zendtijd hebben
verkregen
AFDELING 1. RECHTEN EN VERPLICHTINGEN TEN AANZIEN VAN DE PROGRAMMA'S
Artikel 48
Iedere instelling die zendtijd heeft verkregen bepaalt, onverminderd het bij of
krachtens de wet bepaalde, vorm en inhoud van haar programma en is verantwoordelijk voor
hetgeen in haar zendtijd wordt uitgezonden.
Artikel 49
1. De omroepverenigingen die zendtijd hebben verkregen, gebruiken de hun krachtens artikel 39, eerste lid, ter beschikking gestelde zendtijd geheel.
2. De Programmastichting gebruikt de haar krachtens artikel 39a, eerste lid, ter beschikking gestelde zendtijd geheel.
3. De Stichting gebruikt de haar krachtens artikel 39a1, eerste lid, ter beschikking gestelde zendtijd geheel.
4. De overige instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben
verkregen, met uitzondering van de Stichting Etherreclame, gebruiken de hun met toepassing
van de artikelen 39e tot en met 39i toegewezen zendtijd geheel.
Artikel 50
1. Een omroepvereniging gebruikt haar zendtijd voor televisie voor een volledig programma, dat tenminste omvat onderdelen van culturele, informatieve, educatieve en verstrooiende aard.
2. Onverminderd het eerste lid, bevat het televisieprogramma van een omroepvereniging jaarlijks ten minste twintig procent onderdelen van culturele aard en dertig procent onderdelen van informatieve of educatieve aard. Een deel van de programma-onderdelen van culturele aard, dat ten minste gelijk is aan tien procent van de gebruikte zendtijd van de desbetreffende omroepvereniging, bestaat uit of heeft betrekking op kunst.
3. Indien een programma-onderdeel van informatieve, educatieve of verstrooiende aard tevens wat zijn inhoud betreft voor meer dan de helft van culturele aard is, kan dit programma-onderdeel meegeteld worden bij de berekening van het percentage programma-onderdelen van culturele aard, bedoeld in het tweede lid.
4. Een educatieve omroepinstelling gebruikt haar zendtijd geheel voor een educatief programma.
5. Een kerkgenootschap gebruikt zijn zendtijd geheel voor een kerkelijk programma.
6. Een genootschap op geestelijke grondslag gebruikt zijn zendtijd geheel voor een programma op geestelijk terrein.
7. Een politieke partij of groepering gebruikt haar zendtijd geheel voor een programma op politiek terrein.
8. De Stichting Etherreclame gebruikt haar zendtijd voor een programma bestaande uit
reclameboodschappen die zijn aangeboden door derden. Voor ten hoogste een derde deel kan
de zendtijd worden gebruikt voor omlijsting van de reclameboodschappen. Het programma van
de Stichting Etherreclame is als zodanig herkenbaar en duidelijk onderscheiden van de
programma-onderdelen van de andere instellingen die zendtijd hebben verkregen. In het
programma van de Stichting Etherreclame wordt geen gebruik gemaakt van subliminale
technieken.
Artikel 51
1. Indien een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid wordt opgericht, waarin twee of meer omroepverenigingen A, B of C wier zendtijd voor televisie tussen 16.00 uur en 24.00 uur op hetzelfde televisieprogrammanet is ingedeeld, deelnemen met het oog op de samenwerking bij de verzorging van hun onderscheidene televisieprogramma's, en indien overigens wordt voldaan aan de vereisten van het tweede lid, treedt deze rechtspersoon voor de toepassing van de artikelen 50, tweede lid, 54 en 54a in de plaats van de deelnemende omroepverenigingen.
2. De vereisten, bedoeld in het eerste lid, zijn:
a. de rechtspersoon heeft een orgaan dat bevoegd is besluiten te nemen met betrekking tot het programmabeleid en de meerjarenplanning van de in de rechtspersoon deelnemende omroepverenigingen;
b. er is gewaarborgd, mede door de mogelijkheid van het opleggen van sancties, dat de aldus vormgegeven samenwerking ten minste voortduurt gedurende de lopende concessieperiode, bedoeld in artikel 31, derde lid;
c. de statuten van de rechtspersoon en de andere bescheiden waaruit de samenwerking tussen de deelnemende instellingen blijkt, zijn overgelegd aan het Commissariaat voor de Media; en
d. het Commissariaat heeft medegedeeld dat de samenwerking voldoet aan dit artikel, dan wel er zijn acht weken verstreken sedert de overlegging van de bescheiden, bedoeld in onderdeel c, zonder dat het Commissariaat schriftelijk heeft gereageerd.
3. De Programmastichting kan met een omroepvereniging A, B of C wier zendtijd voor televisie tussen 16.00 uur en 24.00 uur op hetzelfde televisieprogrammanet als dat van de Programmastichting is ingedeeld, deelnemen in een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid.
4. Een educatieve omroepinstelling die zendtijd heeft verkregen, kan met twee of meer
omroepverenigingen A, B of C, onderscheidenlijk met één omroepvereniging A, B of C en de
Programmastichting, wier zendtijd voor televisie tussen 16.00 uur en 24.00 uur op
hetzelfde televisieprogrammanet als dat van de desbetreffende educatieve omroepinstelling
is ingedeeld, deelnemen in een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 51a
1. Indien een rechtspersoon als bedoeld in artikel 51, eerste lid, voor de toepassing van artikel 50, tweede lid, in de plaats treedt van de deelnemende omroepverenigingen, bevat het televisieprogramma van de deelnemende omroepverenigingen ten minste een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage onderdelen van culturele aard, onderscheidenlijk van informatieve of educatieve aard. Een deel van de programma-onderdelen van culturele aard, dat ten minste gelijk is aan een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage van de gebruikte zendtijd van de desbetreffende omroepverenigingen, bestaat uit of heeft betrekking op kunst. Artikel 50, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. De percentages, bedoeld in het eerste lid, worden lager vastgesteld dan de
percentages, bedoeld in artikel 50, tweede lid.
Artikel 51b
1. De Programmastichting gebruikt haar zendtijd geheel voor een programma dat bestaat uit onderdelen die voorzien in de bevrediging van in het volk levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke behoeften, zodanig dat dit programma te zamen met de programma's van de andere instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen, een evenwichtig beeld oplevert van de maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke verscheidenheid in Nederland.
2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke programma-onderdelen als bedoeld in het eerste lid in het programma van de Programmastichting worden opgenomen. Bij deze algemene maatregel van bestuur kan tevens worden bepaald welke percentages van het programma van de Programmastichting ten minste dienen te bestaan uit de onderscheidene programma-onderdelen, bedoeld in de vorige zin.
3. Naast de programma-onderdelen, bedoeld in het tweede lid, bevat het programma van de
Programmastichting ten minste veertig procent onderdelen van culturele aard, waarvan een
deel dat ten minste gelijk is aan twintig procent van de gebruikte zendtijd van de
Programmastichting, bestaat uit of betrekking heeft op kunst.
Artikel 51c
De verplichtingen, bedoeld in de artikelen 50, eerste en tweede lid, en 51b, tweede en
derde lid, gelden met betrekking tot televisie zowel voor de gehele zendtijd die is
gebruikt, als afzonderlijk voor de zendtijd die is gebruikt tussen 16.00 uur en 24.00 uur.
Artikel 51d
1. De Stichting gebruikt haar zendtijd, bedoeld in artikel 39a1, eerste en tweede lid, geheel voor een programma dat bestaat uit onderdelen die zich bij uitstek voor een gezamenlijke verzorging lenen. Hiertoe behoren die programma-onderdelen die een hoge frequentie en vaste regelmaat van uitzending vereisen, een algemeen dienstverlenend karakter dragen, of met een doelmatiger inzet van omroepmiddelen beter gezamenlijk tot stand kunnen worden gebracht.
2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke programma-onderdelen als
bedoeld in het eerste lid in ieder geval in het programma van de Stichting worden
opgenomen.
Artikel 51e
Een regionale omroepinstelling gebruikt haar zendtijd voor een programma dat:
a. voor ten minste vijftig procent bestaat uit onderdelen van informatieve, culturele en educatieve aard, die in het bijzonder betrekking hebben op de provincie waarvoor het programma bestemd is; en
b. voor ten minste een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage
bestaat uit onderdelen die door haarzelf of uitsluitend in haar opdracht zijn
geproduceerd.
Artikel 51f
1. Een lokale omroepinstelling gebruikt haar zendtijd voor een programma dat:
a. voor ten minste vijftig procent bestaat uit onderdelen van informatieve, culturele en educatieve aard, die in het bijzonder betrekking hebben op de gemeente waarvoor het programma bestemd is; en
b. voor ten minste een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage bestaat uit onderdelen die door haarzelf of uitsluitend in haar opdracht zijn geproduceerd.
2. Het is een lokale omroepinstelling toegestaan met de regionale omroepinstelling in wier verzorgingsgebied zij werkzaam is, een overeenkomst te sluiten met het oog op de samenwerking bij de verzorging van haar radioprogramma, onderscheidenlijk televisieprogramma. Daarbij kan worden overeengekomen dat de regionale omroepinstelling programma-onderdelen produceert ten behoeve van de lokale omroepinstelling. Tevens kan worden overeengekomen dat de lokale omroepinstelling programma-onderdelen produceert ten behoeve van de regionale omroepinstelling.
3. Een overeenkomst als bedoeld in het tweede lid wordt overgelegd aan het Commissariaat voor de Media.
4. In afwijking van het eerste lid, is het een lokale omroepinstelling die een overeenkomst als bedoeld in het tweede lid heeft gesloten en deze aan het Commissariaat heeft overgelegd, toegestaan haar zendtijd te gebruiken voor een radioprogramma, onderscheidenlijk televisieprogramma, dat:
a. voor ten minste vijftig procent bestaat uit onderdelen van informatieve, culturele en educatieve aard, die in het bijzonder betrekking hebben op de gemeente waarvoor het programma bestemd is, of op de provincie waarbinnen die gemeente gelegen is, met dien verstande dat ten minste een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen gedeelte daarvan in het bijzonder betrekking heeft op de gemeente waarvoor het programma bestemd is; en
b. voor ten minste het percentage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bestaat uit
onderdelen die door haarzelf of door de regionale omroepinstelling waarmee zij de
overeenkomst heeft gesloten, dan wel uitsluitend in opdracht van een van hen of van hen
beiden, zijn geproduceerd, met dien verstande dat ten minste een bij algemene maatregel
van bestuur vast te stellen gedeelte daarvan door de lokale omroepinstelling zelf of
uitsluitend in haar opdracht is geproduceerd.
Artikel 52
1. De programma's van instellingen die zendtijd hebben verkregen bevatten geen reclameboodschappen tenzij zulks bij deze wet uitdrukkelijk wordt toegestaan.
2. De programma's als bedoeld in het eerste lid bevatten voorts geen andere reclame-uitingen tenzij dit niet vermijdbaar is. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen een reclame-uiting in een programma niet vermijdbaar kan worden geacht, alsmede wanneer het is toegestaan dat programma's reclame-uitingen bevatten.
3. Onze Minister kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in de eerste volzin van het tweede lid. Hij kan deze bevoegdheid geheel of ten dele overdragen aan het Commissariaat voor de Media.
4. Behoudens toestemming van het Commissariaat bevatten programma's van instellingen
die zendtijd hebben verkregen geen oproepen in het kader van ledenwerving of
nevenactiviteiten.
Artikel 52a
1. De programma-onderdelen van instellingen die zendtijd hebben verkregen, kunnen worden gesponsord.
2. In afwijking van het eerste lid, worden de volgende programma-onderdelen niet gesponsord:
a. programma-onderdelen, bestaande uit nieuws, actualiteiten of politieke informatie;
b. programma-onderdelen die in het bijzonder bestemd zijn voor minderjarigen beneden de leeftijd van twaalf jaar;
c. programma-onderdelen waarin ten behoeve van consumenten informatie wordt verstrekt
over produkten of diensten.
Artikel 52b
1. In afwijking van de eerste volzin van artikel 52, tweede lid, worden aan het begin of aan het einde van een gesponsord programma-onderdeel van een instelling die zendtijd heeft verkregen, ter informatie van het publiek alle sponsors vermeld.
2. Met betrekking tot een gesponsord programma-onderdeel voor televisie duurt de vermelding van de sponsors in totaal ten hoogste vijf seconden. De vermelding gebeurt door middel van naam, handelsmerk, logo of beeldmerk. Voor zover de vermelding niet plaatsvindt op de aan- of aftitelrol, bestaat zij uitsluitend uit stilstaande beelden. De vermelding is niet beeldvullend en is voorts zodanig vormgegeven dat zij niet voldoet aan de definitie van reclameboodschap, bedoeld in artikel 1, onderdeel r.
3. In een gesponsord programma-onderdeel worden geen produkten of diensten van een
sponsor getoond of vermeld, indien deze een sponsorbijdrage in geld heeft verstrekt.
Artikel 52c
Indien een gesponsord programma-onderdeel uit het buitenland is aangekocht en aldaar
ten behoeve van het buitenlandse publiek reeds als programma is uitgezonden, zijn de
artikelen 52a en 52b slechts van toepassing, voor zover de sponsorbijdragen worden
verstrekt ten behoeve van de aankoop van het programma-onderdeel door de instelling die
zendtijd heeft verkregen.
Artikel 53
In een televisieprogramma zal de uitzending van films of gedeelten van films die
krachtens de Wet op de filmvertoningen na keuring niet zijn toegelaten voor vertoning aan
personen beneden de leeftijd van twaalf, onderscheidenlijk zestien jaren niet voor 20.00
uur, onderscheidenlijk 22.00 uur aanvangen. De uitzending van films of gedeelten
van films, die niet aan de Nederlandse filmkeuring zijn voorgelegd, en van andere
programma-onderdelen, die de instelling die het verzorgt ongeschikt acht voor personen
jonger dan twaalf, onderscheidenlijk zestien jaren, zullen niet voor 20.00 uur,
onderscheidenlijk 22.00 uur aanvangen. Van de uitslag van de bovenbedoelde
keuring dan wel de ongeschiktheid wordt direct vóór de aanvang van de uitzending van de
film onderscheidenlijk van het programma-onderdeel mededeling gedaan.
Artikel 53a
1. Een instelling die zendtijd heeft verkregen, neemt in haar programma geen films op binnen een termijn van twee jaar na de aanvang van de exploitatie daarvan in de bioscopen in een van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen of in een van de overige Staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. Deze termijn bedraagt één jaar in geval van coprodukties van films waaraan de desbetreffende instelling die zendtijd heeft verkregen, heeft meegewerkt.
2. De rechthebbenden op de film en de desbetreffende instelling die zendtijd heeft
verkregen, kunnen bij overeenkomst afwijken van het eerste lid.
Artikel 54
1. Instellingen die zendtijd hebben verkregen, besteden ten minste vijftig procent van hun zendtijd voor televisie aan programma-onderdelen die kunnen worden aangemerkt als Europese produkties in de zin van artikel 6 van de Europese richtlijn.
2. Instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, besteden ten minste vijfentwintig procent van hun zendtijd voor televisie aan programma-onderdelen als bedoeld in het eerste lid, die niet zijn geproduceerd door:
a. de desbetreffende instelling die zendtijd heeft verkregen, of een andere instelling die een programma verzorgt;
b. een rechtspersoon waarin een instelling die een programma verzorgt, al dan niet door middel van een of meer van haar dochtermaatschappijen, een belang van meer dan vijfentwintig procent heeft;
c. een rechtspersoon waarin twee of meer instellingen die een programma verzorgen, al dan niet door middel van een of meer van hun onderscheidene dochtermaatschappijen, te zamen een belang van meer dan vijftig procent hebben; of
d. een vennootschap waarin een instelling die een programma verzorgt, dan wel een of meer van haar dochtermaatschappijen, als vennoot volledig jegens schuldeisers aansprakelijk is voor de schulden.
3. De instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep kunnen bij schriftelijke overeenkomst, die aan het Commissariaat voor de Media wordt overgelegd en waaraan alle instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep deelnemen, afwijken van het percentage, bedoeld in het tweede lid, mits ten minste vijfentwintig procent van de totale zendtijd voor televisie van de instellingen gezamenlijk wordt besteed aan programma-onderdelen als bedoeld in het tweede lid en mits elke instelling ten minste tien procent van zijn zendtijd voor televisie besteedt aan programma-onderdelen als bedoeld in het tweede lid.
4. Ten minste een derde deel van de programma-onderdelen, bedoeld in het tweede lid, is niet ouder dan vijf jaar.
5. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende programma-onderdelen voor televisie buiten beschouwing gelaten:
a. programma-onderdelen, bestaande uit nieuws;
b. programma-onderdelen die betrekking hebben op sport;
c. programma-onderdelen die het karakter van een spel hebben, met uitzondering van programma-onderdelen van culturele of educatieve aard, die mede het karakter van een spel hebben;
d. het teletekstprogramma voor landelijke omroep.
6. Dit artikel is niet van toepassing op de Stichting Etherreclame, instellingen die zendtijd hebben verkregen voor lokale omroep, overheidsinstellingen, kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke grondslag en politieke partijen en groeperingen.
7. Het tweede, vierde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op
instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale omroep, met dien verstande dat
het in het tweede lid bedoelde percentage tien bedraagt.
Artikel 54a
1. Instellingen die zendtijd hebben verkregen, besteden ten minste veertig procent van hun zendtijd voor televisie aan oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programma-onderdelen.
2. Dit artikel is niet van toepassing op de Stichting Etherreclame,
overheidsinstellingen, kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke grondslag en
politieke partijen en groeperingen.
AFDELING 2. OVERIGE RECHTEN EN VERPLICHTINGEN
Artikel 55
1. Instellingen die zendtijd hebben verkregen zijn met al hun activiteiten, behoudens het bepaalde in de artikelen 26, 43a, 52 en 52b, niet dienstbaar aan het maken van winst door derden. Desgevraagd tonen zij dit ten genoegen van het Commissariaat voor de Media aan.
2. Indien een instelling voornemens is een overeenkomst te sluiten met een werknemer, een bestuurslid van de instelling of een van hun huisgenoten, dan wel met een rechtspersoon waarin een of meer van de genoemde personen alleen of tezamen een financieel belang hebben van tenminste tien percent of ten aanzien waarvan zij tantième- of winstrechten hebben, terwijl die overeenkomst geen betrekking heeft op de relatie die de instelling met de betrokkene heeft als werknemer of bestuurslid, meldt de instelling dit schriftelijk bij het Commissariaat voor de Media onder overlegging van het ontwerp van de overeenkomst. Een dergelijke overeenkomst wordt schriftelijk aangegaan.
3. Het bepaalde in de voorgaande leden heeft ten aanzien van educatieve
omroepinstellingen, overheidsinstellingen, kerkgenootschappen, genootschappen op
geestelijke grondslag en politieke partijen en groeperingen uitsluitend betrekking op hun
werkzaamheden die strekken tot de verzorging van hun radio- en televisieprogramma's.
Artikel 55a
1. Onverminderd artikel 48 is het aan een instelling die zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep uitsluitend toegestaan overeenkomsten te sluiten met omroepinstellingen, met verzorgers van een abonneeprogramma dan wel met rechtspersonen of vennootschappen waarmee bedoelde instellingen of verzorgers in een groep zijn verbonden, indien die instelling het voornemen hiertoe schriftelijk heeft gemeld bij de raad van bestuur van de Stichting, onder overlegging van het ontwerp van de overeenkomst, en de raad van bestuur van de Stichting binnen twee maanden niet heeft medegedeeld dat de desbetreffende overeenkomst in strijd is met het gemeenschappelijke belang van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep. Een dergelijke overeenkomst wordt schriftelijk aangegaan.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op overeenkomsten die worden gesloten met instellingen die zendtijd hebben verkregen voor binnenlandse omroep.
3. Het eerste lid heeft ten aanzien van educatieve omroepinstellingen,
overheidsinstellingen, kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke grondslag en
politieke partijen en groeperingen uitsluitend betrekking op overeenkomsten die betrekking
hebben op hun werkzaamheden die strekken tot de verzorging van hun radio- en
televisieprogramma's.
Artikel 56
1. Een instelling die zendtijd heeft verkregen draagt er zorg voor dat noch de leden van het bestuur, noch haar werknemers, behoudens met toestemming van het bestuur, en andere personen of rechtspersonen waarmee de instelling een overeenkomst heeft gesloten met het oog op de verzorging van haar programma voor zichzelf, voor andere personen of voor rechtspersonen een op geld waardeerbaar voordeel van derden bedingen of aanvaarden, dat direct of indirect verband houdt met werkzaamheden van de betrokkene voor de instelling.
2. De in het eerste lid bedoelde toestemming geeft de instelling slechts indien de betrokkene aannemelijk maakt dat het voordeel niet is bedoeld als tegenprestatie voor het door hem in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor de instelling bieden of bevorderen van mogelijkheden tot het maken van winst door derden of het dienstbaar maken van het radio- of televisieprogramma aan reclamedoeleinden.
3. Voor personen die werken in dienst van een persoon of rechtspersoon die een
overeenkomst als bedoeld in het eerste lid heeft gesloten met een instelling die zendtijd
heeft verkregen, wordt die persoon of rechtspersoon ten opzichte van degenen die in zijn
dienst werken niet aangemerkt als een derde.
Artikel 56a
1. Onverminderd artikel 52a, tweede lid, mogen instellingen die zendtijd hebben verkregen, sponsorbijdragen uitsluitend rechtstreeks van de sponsors en door middel van een schriftelijke overeenkomst bedingen of aanvaarden.
2. Instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, doen binnen één week na de totstandkoming van een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, doch in ieder geval vóór de beoogde datum van uitzending van het programma-onderdeel waarop de overeenkomst betrekking heeft, een afschrift hiervan toekomen aan de raad van bestuur.
3. Indien de raad van bestuur een dergelijke overeenkomst in strijd acht met het gemeenschappelijke belang van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, en de raad van bestuur dit binnen twee weken na ontvangst van het afschrift van de overeenkomst, doch in ieder geval vóór de beoogde datum van uitzending van het programma-onderdeel waarop de overeenkomst betrekking heeft, schriftelijk heeft medegedeeld aan de instelling die de overeenkomst heeft overgelegd, neemt deze instelling het programma-onderdeel waarop de overeenkomst betrekking heeft, niet in haar programma op, tenzij de overeenkomst wordt ontbonden of gewijzigd.
4. Indien de overeenkomst wordt gewijzigd, zijn het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing.
5. Instellingen die zendtijd hebben verkregen, bedingen of aanvaarden geen sponsorbijdragen van personen, bedrijven of instellingen:
a. die zich voornamelijk bezighouden met de produktie of verkoop van sigaretten of andere tabaksprodukten;
b. die zich voornamelijk bezighouden met de produktie of verkoop van geneesmiddelen of het verrichten van medische behandelingen, die in Nederland uitsluitend op doktersvoorschrift verkrijgbaar zijn, onderscheidenlijk verricht mogen worden; of
c. die gebruik maken van namen, handelsmerken, logo's of beeldmerken die tevens worden gebruikt door personen, bedrijven of instellingen als bedoeld in onderdeel a of b, of daarmee een zo sterke gelijkenis vertonen dat het publiek redelijkerwijs de indruk krijgt dat het mede de naam, het handelsmerk, het logo of het beeldmerk van een persoon, bedrijf of instelling als bedoeld in onderdeel a of b betreft.
6. Indien een gesponsord programma-onderdeel uit het buitenland is aangekocht en ten
behoeve van het buitenlandse publiek reeds als programma is uitgezonden, is dit artikel
slechts van toepassing, voor zover de sponsorbijdragen worden verstrekt ten behoeve van de
aankoop van het programma-onderdeel door de instelling die zendtijd heeft verkregen.