MEDIABESLUIT (Stb. 1987, 573)

 

Inhoud:
Hoofdstuk: 1 - De binnenlandse omroep door middel van zenders
Hoofdstuk 1a - De bekostiging
Hoofdstuk: 2 - De omroepbijdragen
Hoofdstuk: 3 - De commerciele omroep
Hoofdstuk: 4 - Andere programma's die door middel van draadomroepinrichtingen worden uitgezonden
Hoofdstuk: 5 - Persorganen
Hoofdstuk: 6 - Programma's voor buitenlandse militairen
Hoofdstuk: 7 - Overgangsbepalingen
Hoofdstuk: 8 - Slotbepalingen



zoals laatstelijk gepubliceerd in Stb. 1992, 617, en nadien gewijzigd bij:

- het Aanwijzingsbesluit bestuursorganen Wob en WNo (Stb. 1993, 535);

- het besluit van 23 oktober 1993 (Stb. 541), houdende aanpassing van een aantal algemene maatregelen van bestuur aan de Algemene wet bestuursrecht (Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur);

- het besluit van 19 december 1994 (Stb. 914), houdende wijziging van het Mediabesluit, alsmede regels met betrekking tot de invoering van de wet van 28 april 1994 (Stb. 385);

- het besluit van 14 november 1996 (Stb. 589), houdende aanpassing van het Mediabesluit aan de wet van 18 mei 1995 (Stb. 320) tot wijziging van de Mediawet met het oog op de uitvoering van richtlijn nr. 89/552/EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen van 3 oktober 1989, alsmede aan de wet van 4 april 1996 (Stb. 219) tot wijziging van de Mediawet in verband met een herziening van de reclameregeling voor de publieke lokale en regionale omroep, het bevorderen van de samenwerking tussen de publieke regionale en landelijke omroep en het toestaan van commerciële omroep op niet-landelijk niveau;

- het besluit van 22 april 1997 (Stb. 195) houdende aanpassing van het Mediabesluit in verband met de wet van 19 december 1996 tot wijziging van bepalingen van de Mediawet in verband met het omvormen van de met de inning van de omroepbijdragen belaste dienst van Koninklijke PTT Nederland N.V. tot een publiekrechtelijk vormgegeven zelfstandig bestuursorgaan

 


Terug naar begin

HOOFDSTUK 1. DE BINNENLANDSE OMROEP DOOR MIDDEL VAN ZENDERS

AFDELING 1. LANDELIJKE OMROEP

§1. De concessies

Artikel 1

1. Een aanvraag voor een concessie voor landelijke omroep wordt ingediend in de maand november van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin een lopende concessieperiode eindigt.

2. Onze Minister legt iedere aanvraag binnen vier weken ter advisering voor aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 34 van de Mediawet. De commissie brengt haar advies uit voor 15 maart van het jaar, volgend op het jaar waarin de aanvraag is ingediend.

3. Onze Minister besluit voor 1 mei van het jaar, volgend op het jaar waarin de aanvraag is ingediend, op de aanvraag.

4. Indien een concessie wordt verleend, treedt deze in werking met ingang van 1 september van het jaar, volgend op het jaar waarin de aanvraag is ingediend.

Artikel 2

Een aanvraag voor een concessie voor landelijke omroep gaat vergezeld van de statuten van de aanvrager.

Artikel 3

1. De aanvragen voor een concessie voor landelijke omroep liggen vanaf het tijdstip waarop zij ter advisering aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 34 van de Mediawet, zijn voorgelegd, tot het tijdstip waarop Onze Minister op de aanvragen heeft besloten, voor een ieder ter inzage in de bibliotheek van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen te Zoetermeer.

2. De terinzagelegging van het beleidsplan, bedoeld in artikel 32, eerste lid, onderdeel a, van de Mediawet, blijft achterwege, voor zover:

a. het beleidsplan bedrijfsgegevens bevat, die door de aanvrager vertrouwelijk aan Onze Minister zijn medegedeeld; of

b. de terinzagelegging zou leiden tot onevenredige benadeling van de aanvrager of onevenredige bevoordeling van derden.

Artikel 4

1. Een aanvraag voor een voorlopige concessie voor landelijke omroep wordt ingediend in de maand november van het derde jaar van een lopende concessieperiode als bedoeld in artikel 31, derde lid, van de Mediawet.

2. Onze Minister besluit voor 1 mei van het jaar, volgend op het jaar waarin de aanvraag is ingediend, op de aanvraag.

3. Indien een voorlopige concessie wordt verleend, treedt deze in werking met ingang van 1 september van het jaar, volgend op het jaar waarin de aanvraag is ingediend.

Artikel 5

Een aanvraag voor een voorlopige concessie voor landelijke omroep gaat vergezeld van de statuten van de aanvrager.

Artikel 6

1. De aanvragen voor een voorlopige concessie voor landelijke omroep liggen vanaf twee weken na de indiening tot het tijdstip waarop Onze Minister op de aanvragen heeft besloten, voor een ieder ter inzage in de bibliotheek van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen te Zoetermeer.

2. De terinzagelegging van het beleidsplan, bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onderdeel a, van de Mediawet, blijft achterwege, voor zover:

a. het beleidsplan bedrijfsgegevens bevat, die door de aanvrager vertrouwelijk aan Onze Minister zijn medegedeeld; of

b. de terinzagelegging zou leiden tot onevenredige benadeling van de aanvrager of onevenredige bevoordeling van derden.

§2. Beschikbaarstelling en toewijzing van zendtijd

Artikel 7

De Stichting Etherreclame heeft per jaar de beschikking over 6,5 procent van de totale gebruikte televisie- onderscheidenlijk radiozendtijd voor landelijke omroep.

Artikel 8

Toewijzing van zendtijd voor landelijke omroep kan, behoudens in de gevallen, bedoeld in artikel 39g van de Mediawet, uitsluitend geschieden indien daarvoor een aanvraag bij het Commissariaat voor de Media is ingediend.

Artikel 9

1. Aanvragen tot toewijzing van zendtijd op grond van artikel 39d, 39e, 39f of 39h van de Mediawet worden ingediend in de maand november, met dien verstande dat educatieve omroepinstellingen slechts eens in de vijf jaren een aanvraag voor toewijzing van zendtijd kunnen indienen.

2. Het Commissariaat voor de Media besluit voor 1 mei van het daarop volgende jaar op de aanvraag.

3. Indien toewijzing van zendtijd plaatsvindt, gaat deze in op 1 september van het jaar, volgende op het jaar waarin de aanvraag is ingediend.

4. In bijzondere gevallen kan het Commissariaat afwijken van de in het derde lid bedoelde ingangsdatum van de toewijzing van zendtijd.

Artikel 10

1. Een aanvraag tot toewijzing van zendtijd als bedoeld in artikel 39h van de Mediawet wordt ingediend door Onze Minister van Algemene Zaken.

2. Het Commissariaat voor de Media wijst de in het eerste lid bedoelde zendtijd toe aan Onze Minister van Algemene Zaken voor het gebruik door overheidsinstellingen of personen die daartoe door deze minister zijn aangewezen.

§3. Indeling van zendtijd

Artikel 11

1. Programma-onderdelen van instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, kunnen ten hoogste eenmaal per vijfenveertig minuten voor televisie, onderscheidenlijk ten hoogste eenmaal per dertig minuten voor radio, worden onderbroken door een programma-onderdeel van de Stichting Etherreclame.

2. Een programma-onderdeel kan uitsluitend worden onderbroken door een programma-onderdeel van de Stichting Etherreclame, indien:

a. het te onderbreken programma-onderdeel langer duurt dan anderhalf uur voor televisie, onderscheidenlijk drie kwartier voor radio, en na de onderbreking ten minste twintig minuten wordt voortgezet;

b. de onderbreking ten minste twee minuten duurt voor televisie, onderscheidenlijk één minuut voor radio; en

c. geen afbreuk doet aan de rechten van rechthebbenden.

3. Programma-onderdelen van godsdienstige of geestelijke aard en programma-onderdelen die in het bijzonder bestemd zijn voor minderjarigen beneden de leeftijd van twaalf jaar, worden niet onderbroken door programma-onderdelen van de Stichting Etherreclame.

Artikel 12

De zendtijd voor televisie van de Stichting Etherreclame kan slechts worden ingedeeld met inachtneming van een minimum duur van twee minuten per blok.

Artikel 13

De zendtijd voor landelijke radio-omroep wordt zodanig ingedeeld, dat de programma's van de omroepverenigingen A, B en C op ten minste drie radioprogrammanetten worden uitgezonden.

§4. Verplichtingen ten aanzien van de programma's

Artikel 14

Het televisieprogramma van een omroepvereniging die deelneemt in een rechtspersoon als bedoeld in artikel 51, eerste lid, van de Mediawet, bevat jaarlijks ten minste tien procent onderdelen van culturele aard en vijftien procent onderdelen van informatieve of educatieve aard. Een deel van de programma-onderdelen van culturele aard, dat ten minste gelijk is aan vijf procent van de gebruikte zendtijd van de desbetreffende omroepvereniging, bestaat uit of heeft betrekking op kunst.













Artikel 15

1. In het programma van de Programmastichting worden de volgende programma-onderdelen opgenomen:

a. achtergrondinformatie en beschouwingen over politieke en maatschappelijke ontwikkelingen, onder meer op het gebied van economie, wetenschap en techniek;

b. programma-onderdelen ten behoeve van maatschappelijke doelgroepen die elders niet of niet voldoende tot hun recht komen;

c. consumentenvoorlichting; en

d. andere programma-onderdelen dan die, bedoeld in de onderdelen a tot en met c en in artikel 51b, derde lid, van de Mediawet, die voorzien in de bevrediging van in het volk levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke behoeften, zodanig dat het programma van de Programmastichting te zamen met de programma's van de andere instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen, een evenwichtig beeld oplevert van de maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke verscheidenheid in Nederland.

2. In het televisieprogramma van de Programmastichting worden, naast de in het eerste lid genoemde programma-onderdelen, voorts opgenomen:

a. ten minste vijftien procent programma-onderdelen ten behoeve van of betrekking hebbend op etnische en culturele minderheden; en

b. programma-onderdelen van educatieve aard ten behoeve van de jeugd.

3. In het radioprogramma van de Programmastichting wordt, naast de in het eerste lid genoemde programma-onderdelen, voorts opgenomen ten minste twintig procent programma-onderdelen ten behoeve van of betrekking hebbend op etnische en culturele minderheden.

Artikel 16

1. In het programma van de Stichting worden in ieder geval opgenomen de volgende programma-onderdelen:

a. de dagelijkse nieuwsvoorziening;

b. de parlementaire verslaggeving;

c. de verslaggeving van nationale feest- en gedenkdagen;

d. de actuele sportverslaggeving, waaronder in ieder geval begrepen de competitie- en bekerwedstrijden en internationale evenementen;

e. de verslaglegging van andere nationale en internationale gebeurtenissen van bijzondere aard, staatsbezoeken daaronder begrepen.

2. In het televisieprogramma van de Stichting worden, naast de in het eerste lid genoemde programma-onderdelen, voorts opgenomen de nieuwsvoorziening ten behoeve van de jeugd en de nieuwsvoorziening ten behoeve van doven en slechthorenden.

3. In het radioprogramma van de Stichting worden, naast de in het eerste lid genoemde programma-onderdelen, voorts opgenomen programma-onderdelen van dienstverlenende aard zoals informatie ten behoeve van scheepvaart, visserij, land- en tuinbouw en verkeer, alsmede ochtendgymnastiek.

§5. Overige verplichtingen

Artikel 17

Inkomsten uit programmabladen van een omroepvereniging kunnen jaarlijks tot ten hoogste het bedrag dat nodig is om een eventueel verlies van de desbetreffende omroepvereniging te dekken, worden besteed aan verenigingsactiviteiten. Bij de bepaling van het resultaat blijven veranderingen in de waarde van de materiële vaste activa als gevolg van herwaarderingen buiten beschouwing. De gebruikelijke jaarlijkse afschrijvingen van de materiële vaste activa worden niet als herwaarderingen aangemerkt.

Artikel 17a

1. De instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, gedogen dat de Stichting de opgaven van de omroepprogramma's in beknopte vorm ter beschikking stelt van de dag- en nieuwsbladen, voor zover deze laatste ten minste twee maal per week verschijnen, indien de verstrekking gebeurt op basis van overeenkomsten tussen de Stichting en de Vereniging de Nederlandse Dagbladpers, onderscheidenlijk de Stichting en de Vereniging de Nederlandse Nieuwsbladpers.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde overeenkomsten niet binnen een door het Commissariaat voor de Media te bepalen termijn tot stand zijn gekomen, gedogen de instellingen, bedoeld in het eerste lid, dat de terbeschikkingstelling plaatsvindt, indien zij geschiedt overeenkomstig de richtlijnen van het Commissariaat ter zake.

Artikel 17b

Een programmablad bevat, afgezien van de van derden afkomstige advertenties, gemiddeld berekend over een kalendermaand, niet meer dan 25 procent andere informatie als bedoeld in artikel 58, vierde lid, van de Mediawet.

AFDELING 2. REGIONALE EN LOKALE OMROEP

§1. De zendtijd

Artikel 18

1. Een aanvraag tot toewijzing van zendtijd voor regionale of lokale omroep wordt ingediend bij het Commissariaat voor de Media.

2. De aanvraag heeft betrekking op een periode van tenminste vijf jaar.

3. De aanvraag gaat vergezeld van:

a. een exemplaar van de notarieel vastgelegde statuten;

b. een overzicht van de belangrijkste in de gemeente of provincie voorkomende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen van waaruit leden worden benoemd in het in artikel 30, onderdeel c, van de Mediawet bedoelde orgaan van de regionale of lokale omroepinstelling;

c. een overzicht van degenen die vanuit de in onderdeel b genoemde stromingen zitting hebben in bedoeld bestuursorgaan.

d. een aanduiding of de aanvraag betrekking heeft op zendtijd voor radio of televisie, of op beide;

e. een aanduiding van het gebied waarbinnen het programma zal worden uitgezonden; en

f. een opgave van de gewenste hoeveelheid zendtijd alsmede van de dagen en uren waarop de zendtijd gewenst wordt.

4. Het in het derde lid, onderdeel f, bepaalde is niet van toepassing op een verzoek om toestemming te verlenen een lokaal omroepprogramma te verzorgen dat wordt uitgezonden door middel van een draadomroepinrichting.







Artikel 19

1. Het Commissariaat voor de Media legt de aanvraag tot toewijzing van zendtijd voor regionale omroep binnen vier weken na de datum van ontvangst voor aan het provinciebestuur.

2. Het provinciebestuur brengt binnen dertien weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, advies uit aan het Commissariaat en verklaart of het bereid is voor de bekostiging van regionale omroep zorg te dragen.

3. Het Commissariaat beslist binnen vier weken na ontvangst van het advies van het provinciebestuur.

4. Bij toewijzing van zendtijd stelt het Commissariaat tevens voor het eerste kalenderjaar of het nog resterende deel daarvan, de hoeveelheid zendtijd vast en wijst het de dagen en uren en zonodig het zendernet aan waarop het programma wordt uitgezonden. De datum waarop de zendtijd ingaat wordt, gehoord de regionale omroepinstelling, door het Commissariaat vastgesteld.

Artikel 20

1. Het Commissariaat voor de Media legt de aanvraag tot toewijzing van zendtijd voor lokale omroep binnen vier weken na de datum van ontvangst voor aan het gemeentebestuur en zendt een afschrift van de aanvraag aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

2. Het gemeentebestuur brengt binnen dertien weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, advies uit aan het Commissariaat.

3. Het Commissariaat beslist binnen vier weken na ontvangst van het advies van het gemeentebestuur.

4. Bij toewijzing van zendtijd kan het Commissariaat tevens voor het eerste kalenderjaar of het nog resterende deel daarvan, de hoeveelheid zendtijd vaststellen en de dagen en uren en zonodig het zendernet aanwijzen waarop het programma wordt uitgezonden. De zendtijd gaat zo spoedig mogelijk in. De eerste volzin is niet van toepassing bij toewijzing van zendtijd voor een lokaal omroepprogramma dat wordt uitgezonden door middel van een draadomroepinrichting.

Artikel 21

1. Indien de regionale of lokale omroepinstelling waaraan voor een bepaalde periode zendtijd is toegewezen in aanmerking wil komen voor toewijzing van zendtijd in een aansluitende periode, dient zij de in artikel 18 bedoelde aanvraag bij het Commissariaat voor de Media in tenminste vijf maanden vóór afloop van de periode waarvoor haar zendtijd is toegewezen.

2. In bijzondere gevallen kan van het bepaalde in de artikelen 19 en 20 worden afgeweken.

Artikel 22

1. De regionale omroepinstelling waaraan zendtijd is toegewezen, dient jaarlijks vóór 1 november bij het Commissariaat voor de Media een voorstel in met betrekking tot de vaststelling van de hoeveelheid zendtijd en de aanwijzing van de dagen en uren voor het daaropvolgende jaar.

2. Het Commissariaat stelt jaarlijks vóór 30 november de hoeveelheid zendtijd voor het daaropvolgende jaar vast en wijst daarbij tevens aan de dagen en uren en zonodig het zendernet waarop het programma wordt uitgezonden. De zendtijd gaat in op 1 januari van dat daaropvolgende jaar.

3. Indien het Commissariaat gebruik maakt van de bevoegdheid, neergelegd in artikel 20, vierde lid, zijn het eerste en tweede lid van dit artikel van overeenkomstige toepassing ten aanzien van lokale omroep.

Artikel 23

1. Indien het Commissariaat voor de Media constateert dat de regionale of lokale omroepinstelling niet meer voldoet aan de in artikel 30, onderdeel b en c, van de Mediawet gestelde vereisten, stelt het de omroepinstelling, het provincie- of gemeentebestuur gehoord, daarvan op de hoogte onder verwijzing naar het gestelde in artikel 45, eerste en derde lid, van de Mediawet.

2. Binnen vier weken na afloop van het jaar na de mededeling, bedoeld in het eerste lid, doet het Commissariaat mededeling aan de regionale of lokale omroepinstelling van zijn beslissing omtrent de zendtijd van die omroepinstelling.

Artikel 24

1. Een beschikking tot intrekking van de zendtijd die is toegewezen aan een regionale of lokale omroepinstelling, genomen op grond van artikel 45 van de Mediawet, gaat onmiddellijk in.

2. Indien de intrekking van de in het eerste lid bedoelde zendtijd plaatsvindt op grond van artikel 46a van de Mediawet, gaat de beschikking daartoe in, twee weken na de datum van de beschikking.

Artikel 24a (Vervallen)

§2. De programma's

Artikel 25

1. Het programma van een regionale, onderscheidenlijk lokale, omroepinstelling bestaat voor ten minste vijftig procent uit onderdelen die door haarzelf of uitsluitend in haar opdracht zijn geproduceerd.

2. Indien artikel 51f, vierde lid, van de Mediawet op een lokale omroepinstelling van toepassing is, heeft ten minste de helft van de zendtijd, gebruikt voor programma-onderdelen als bedoeld in artikel 51f, vierde lid, onderdeel a, van de Mediawet, in het bijzonder betrekking op de gemeente waarvoor het programma bestemd is, en is ten minste de helft van de zendtijd, gebruikt voor programma-onderdelen als bedoeld in artikel 51f, vierde lid, onderdeel b, van de Mediawet, door de lokale omroepinstelling zelf of uitsluitend in haar opdracht geproduceerd.

§3. De boekhouding en jaarrekening

Artikel 25a

1. Lokale en regionale omroepinstellingen die programma-onderdelen als bedoeld in artikel 43a van de Mediawet verzorgen, zijn verplicht een behoorlijke boekhouding te voeren en hun jaarrekening vergezeld te laten gaan van een verklaring van een accountant-administratieconsulent of een registeraccountant omtrent de getrouwheid ervan.

2. Deze boekhouding bevat ten minste gegevens over de kosten en opbrengsten, verdeeld naar de kosten en opbrengsten van de exploitatie van reclameboodschappen, de kosten en opbrengsten van andere programma-onderdelen, onderscheidenlijk de kosten en opbrengsten van alle andere activiteiten.

3. Lokale en regionale omroepinstellingen die programma-onderdelen als bedoeld in artikel 43a van de Mediawet verzorgen zenden jaarlijks vóór 1 juni de jaarrekening aan het Commissariaat voor de Media.

Artikel 25b (Vervallen)

Artikel 25c (Vervallen)

Artikel 25d (Vervallen)

AFDELING 3. RECLAME-UITINGEN

§1. Algemeen

Artikel 26

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. evenement: een culturele manifestatie, muziekuitvoering, podiumvoorstelling, sportwedstrijd, sportevenement of soortgelijke gebeurtenis, waarbij publiek aanwezig is;

b. sportwedstrijd: een (voorbereiding op een) wedstrijd georganiseerd door of onder auspiciën van de door de Nederlandse Sportfederatie (NSF) erkende nationale sportorganisaties en hun geledingen, of door vergelijkbare internationale (overkoepelende) sportorganisaties, dan wel een andere (voorbereiding op een) wedstrijd van een sport die door de NSF als sport is aangemerkt.

Artikel 26a

Deze afdeling is niet van toepassing op reclameboodschappen.

§2. Niet-vermijdbare reclame-uitingen

Artikel 27

Niet vermijdbaar zijn reclame-uitingen die behoren tot het normale straatbeeld en die zonder opzet en zonder nadruk gedurende enkele seconden in een programma-onderdeel voorkomen.

§3. Vermijdbare reclame-uitingen

Artikel 28

1. In programma-onderdelen van informatieve en educatieve aard zijn vermijdbare reclame-uitingen in de vorm van het tonen of vermelden van een product of dienst toegestaan, mits:

a. de vertoning of vermelding past binnen de context van het programma;

b. de vertoning of vermelding geen afbreuk doet aan de programma-formule of de integriteit van het programma;

c. de vertoning of vermelding niet op een overdreven of overdadige wijze plaatsvindt; en

d. er geen sprake is van specifieke aanprijzingen van deze producten of diensten.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op andere programma-onderdelen, met uitzondering van programma-onderdelen die in het bijzonder bestemd zijn voor minderjarigen beneden de leeftijd van twaalf jaar.

Artikel 29

1. Onverminderd artikel 28 mogen programma-onderdelen van informatieve of educatieve aard vermijdbare reclame-uitingen in de vorm van het vermelden van merk- of handelsnamen van bepaalde goederen of diensten of van namen van bedrijven of instellingen bevatten. Op deze reclame-uitingen is artikel 28, eerste lid, onderdelen a tot en met d van overeenkomstige toepassing.

2. In afwijking van artikel 28, eerste lid, onderdeel d, mogen programma-onderdelen van informatieve of educatieve aard vermijdbare reclame-uitingen bevatten, bestaande uit het aankondigen en recenseren van boeken, video's, compact discs en soortgelijke culturele uitingen, alsmede van toneel,- muziek- en filmuitvoeringen, tentoonstellingen en soortgelijke evenementen van kunstzinnige aard.

Artikel 30

In radio- of televisieprogramma-onderdelen zijn vermijdbare reclame-uitingen in de vorm van het vermelden van de naam van een bedrijf of instelling toegestaan, mits:

a. de naam uitsluitend betrekking heeft op de benaming van een sportvereniging of sportwedstrijd;

b. de naam niet met nadruk wordt vermeld; en

c. de naamgeving, voor zover het de benaming van een Nederlandse sportvereniging betreft, is erkend door de desbetreffende bij de NSF aangesloten sportorganisatie.

Artikel 30a

1. Een televisieprogramma-onderdeel, bestaande uit het verslag of de weergave van een evenement dat in Nederland plaatsvindt of is geproduceerd door of in opdracht van een instelling die zendtijd heeft verkregen, mag vermijdbare reclame-uitingen bevatten, indien het evenement niet voornamelijk bestemd is om als programma te worden uitgezonden, en de reclame-uitingen niet overheersend zijn.

2. Een televisieprogramma-onderdeel, bestaande uit het verslag of de weergave van een evenement dat in het buitenland plaatsvindt en niet is geproduceerd door of in opdracht van een instelling die zendtijd heeft verkregen, mag vermijdbare reclame-uitingen bevatten, indien het evenement niet voornamelijk bestemd is om als programma te worden uitgezonden, en de reclame-uitingen niet langer of met meer nadruk in het programma-onderdeel voorkomen dan nodig is in het kader van een evenwichtige registratie en presentatie.

Artikel 31

1. Een programma-onderdeel, bestaande uit het verslag of de weergave van een evenement dat niet voornamelijk bestemd is om als programma te worden uitgezonden, mag gedurende ten hoogste vijf seconden, aan het begin of aan het einde van het programma-onderdeel, vermijdbare reclame-uitingen bevatten, bestaande uit de namen, handelsmerken, logo's of beeldmerken van die personen, bedrijven of instellingen, die een belangrijke, schriftelijk overeengekomen bijdrage hebben geleverd aan de totstandkoming van het evenement. De vermelding of vertoning is zodanig vormgegeven dat zij niet voldoet aan de definitie van reclameboodschap, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel r, van de Mediawet. Indien het een programma-onderdeel voor televisie betreft, bestaande uit het verslag of de weergave van een evenement dat is geproduceerd door of in opdracht van een instelling die zendtijd heeft verkregen en dat niet voornamelijk is bestemd om als programma te worden uitgezonden, geschiedt de vertoning of vermelding uitsluitend via stilstaande beelden.

2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van personen, bedrijven of instellingen:

a. die zich voornamelijk bezighouden met de productie of verkoop van sigaretten of andere tabaksproducten;

b. die zich voornamelijk bezighouden met de productie of verkoop van geneesmiddelen of het verrichten van medische behandelingen, die in Nederland uitsluitend op doktersvoorschrift verkrijgbaar zijn, onderscheidenlijk verricht mogen worden; of

c. die gebruik maken van namen, handelsmerken, logo's of beeldmerken die tevens worden gebruikt door personen, bedrijven of instellingen als bedoeld onder a of b, of daarmee een zo sterke gelijkenis vertonen dat het publiek redelijkerwijs de indruk krijgt dat het mede de naam, het handelsmerk, het logo of het beeldmerk van een persoon, bedrijf of instelling als bedoeld in onderdeel a of b betreft.

Artikel 32

1. Een programma-onderdeel voor televisie, bestaande uit een film die voor een zaal publiek is of wordt vertoond, dan wel een televisiebewerking daarvan, mag vermijdbare reclame-uitingen bevatten die bestaan uit het vermelden of tonen van namen, handelsmerken, logo's, beeldmerken, producten of diensten van personen, bedrijven of instellingen, indien die reclame-uitingen in het programma-onderdeel voorkomen in dezelfde vorm en in ten hoogste dezelfde hoeveelheid als in de voor een zaal publiek bestemde versie van de film.

2. Een uit het buitenland aangekocht programma-onderdeel dat ten behoeve van het buitenlandse publiek als programma is uitgezonden, mag vermijdbare reclame-uitingen bevatten die bestaan uit het vermelden of tonen van namen, handelsmerken, logo's, beeldmerken, producten of diensten van personen, bedrijven of instellingen, indien die reclame-uitingen in het programma-onderdeel voorkomen in dezelfde vorm en in ten hoogste dezelfde hoeveelheid als in de ten behoeve van het buitenlandse publiek uitgezonden versie van het programma-onderdeel.



Terug naar begin

HOOFDSTUK 1A. DE BEKOSTIGING

Artikel 32a

Onze Minister kan modellen en nadere voorschriften vaststellen voor de indeling van:

a. het meerjarenplan voor de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;

b. het overzicht van de feitelijke bestedingen van de gezamenlijke instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;

c. het meerjarenplan van de Wereldomroep;

d. de jaarrekening van onderscheidenlijk de omroepverenigingen, de Programmastichting, de Stichting, de educatieve omroepinstellingen, de Stichting Etherreclame, de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag die zendtijd hebben verkregen, de politieke partijen en groeperingen die zendtijd hebben verkregen, en de Wereldomroep.

Artikel 32b

1. Het verstrekken van voorschotten vindt plaats in de vorm van twaalf maandelijkse termijnen. In bijzondere gevallen kan het Commissariaat voor de Media hiervan afwijken.

2. De hoogte van de voorschotten wordt bepaald door het Commissariaat. Dit geschiedt mede op basis van het meerjarenplan, bedoeld in artikel 99, onderscheidenlijk artikel 108, van de Mediawet, en een liquiditeitsprognose van de desbetreffende instelling welke aan het Commissariaat ter kennisneming wordt gezonden voor 1 november van het jaar, voorafgaande aan het begrotingsjaar.

3. Zolang de liquiditeitsprognose over het desbetreffende jaar nog niet in bezit is van het Commissariaat, vindt het verstrekken van voorschotten plaats op basis van de laatstelijk toegezonden liquiditeitsprognose.

4. Het totaal aan voorschotten in enig jaar kan de voor dat jaar vastgestelde totale vergoeding niet overschrijden.



Terug naar begin

HOOFDSTUK 2. DE OMROEPBIJDRAGEN

Artikel 33

De omroepbijdrage bedraagt negenenzeventig gulden voor de hoofdsom van omroepbijdrage A en zesenveertig gulden voor de hoofdsom van omroepbijdrage B.

(Met ingang van het tijdstip waarop het in artikel I, onderdeel B, van de wet van 19 december 1996 (Stb. 648) aan artikel 110 van de Mediawet toegevoegde derde lid in werking treedt, worden op grond van onderdeel B van het besluit van 22 april 1997, Stb. 195, de bedragen gewijzigd in honderdzesentachtig gulden, respectievelijk vierenvijftig gulden)

Artikel 34

1. De provinciale radio-opslag bedraagt ten hoogste vijf gulden op de hoofdsom van de omroepbijdrage A en ten hoogste drie gulden op de hoofdsom van de omroepbijdrage B.

2. De provinciale televie-opslag bedraagt ten hoogste vijf gulden op de hoofdsom van de omroepbijdrage A.

3. De lokale radio-opslag bedraagt ten hoogste één gulden op de hoofdsom van de omroepbijdrage A en ten hoogste zestig cent op de hoofdsom van de omroepbijdrage B.

(Met ingang van het tijdstip waarop het in artikel I, onderdeel B, van de wet van 19 december 1996 (Stb. 648) aan artikel 110 van de Mediawet toegevoegde derde lid in werking treedt, worden op grond van artikel II van het besluit van 22 april 1997, Stb. 195, de bedragen van vijf gulden in het eerste en tweede lid, en het bedrag van één gulden in het derde lid. gewijzigd in tien, respectievelijk twee gulden)

Artikel 35

1. De aangifte, bedoeld in artikel 112 van de Mediawet, geschiedt door middel van een algemeen verkrijgbaar formulier, dan wel op andere geschikte wijze. Indien de aangifte niet schriftelijk is geschied, bevestigt de Dienst omroepbijdragen de aangifte schriftelijk.

2. De houder wiens ontvanginrichting(en) met toepassing van artikel 145f van de Mediawet is (zijn) verzegeld, onderscheidenlijk meegevoerd en opgeslagen, blijft als houder geregistreerd. Artikel 112 van de Mediawet is niet van toepassing op na de verzegeling, onderscheidenlijk het meevoeren en opslaan, bedoeld in artikel 145f van de Mediawet, bijgeplaatste ontvanginrichtingen.

Artikel 36

De houder van een radiotoestel die ten gevolge van de afschaffing van zijn televisietoestel de omroepbijdrage B verschuldigd wordt, is verplicht hiervan mededeling te doen op de wijze zoals bedoeld in artikel 37.

Artikel 37

1. De melding van de afschaffing van een of meer ontvanginrichtingen dient te geschieden door middel van een algemeen verkrijgbaar formulier, dan wel op andere geschikte wijze. Indien een melding niet schriftelijk is geschied, bevestigt de Dienst omroepbijdragen de melding schriftelijk.

2. Onder afschaffing wordt tevens begrepen een aanvraag van de houder om een of meer ontvanginrichtingen te verzegelen.

3. Als tijdelijke afschaffing van een of meer ontvanginrichtingen wordt beschouwd een aanvraag van de houder om ontheven te worden van de verplichting tot het betalen van de omroepbijdrage voor de duur van een verblijf in het buitenland, mits de woning van de houder onbewoond blijft. De aanvraag dient te worden ingediend bij de Dienst omroepbijdragen. Voor de behandeling van de aanvraag wordt veertig gulden gerekend.



Artikel 38

Van de verschuldigdheid van de omroepbijdrage kunnen worden ontheven:

a. zij die blijkens een verklaring van de inspecteur van de Militaire Geneeskundige Dienst of van de inspecteur van Geneeskundige Dienst Zeemacht tot de ernstig militaire oorlogsinvaliden behoren;

b. zij, aan wie blijkens een verklaring van de Buitengewone Pensioenraad als deelnemer aan het verzet, krachtens de Wet Buitengewoon Pensioen 1940 - 1945 (Stb. 1986, 575) of als zeeman oorlogsslachtoffer krachtens de Wet Buitengewoon Pensioen Zeelieden Oorlogsslachtoffers (Stb. 1986, 576) een buitengewoon pensioen is verleend, berekend naar een invaliditeitspercentage van zeventig of hoger, voor de tijd waarvoor hun dit pensioen is verleend;

c. zij, die hun gezichts- of gehoorvermogen, ook met gebruikmaking van de geëigende hulpmiddelen geheel of nagenoeg geheel ontberen, voorzover zij alleenwonend zijn, dan wel in gezinsverband samenwonen uitsluitend met andere in dezelfde mate gezichts- of gehoorgestoorden.

Artikel 39

1. Voor het verkrijgen van een ontheffing als bedoeld in artikel 38, onderdeel a, moet een aanvraag worden gericht tot de inspecteur van de Militaire Geneeskundige Dienst of tot de inspecteur van de Geneeskundige Dienst Zeemacht te 's-Gravenhage.

2. Voor het verkrijgen van een ontheffing als bedoeld in artikel 38, onderdeel b, moet een aanvraag worden gericht tot de Buitengewone Pensioenraad te Heerlen.

Artikel 40

De ontheffingen, bedoeld in artikel 38, onderdeel a, b en c, worden verleend door de Dienst omroepbijdragen.

Artikel 41

1. De houder van een ontvanginrichting aan wie op grond van artikel 117a, derde lid, van de Mediawet, artikel 37, derde lid, of artikel 38, onderdelen a, b en c, een ontheffing dan wel een verlenging daarvan is verleend, ontvangt van de Dienst omroepbijdragen een op zijn naam gesteld bewijs waaruit blijkt voor welk tijdvak de ontheffing is verleend.

2. De indiening van een aanvraag voor een ontheffing, dan wel verlenging daarvan, ontslaat de houder, in afwachting van de beschikking op de aanvraag, niet van zijn verplichting de omroepbijdrage op de voorgeschreven wijze te voldoen.

3. Indiening van een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 117a, derde lid, van de Mediawet, geschiedt door middel van een algemeen verkrijgbaar formulier.

Artikel 42

1. Van de verschuldigdheid van de omroepbijdrage zijn vrijgesteld:

a. de hier te lande hun functie uitoefenende diplomaten en consulaire ambtenaren van vreemde mogendheden;

b. de aan de hier te lande gevestigde ambassades, gezantschappen en consulaten verbonden kanselarijbeambten, voor de bij hen aanwezige ontvanginrichtingen, mits zij vreemdeling zijn en overigens binnen het Rijk geen bedrijf of beroep uitoefenen en voorts onder voorwaarde van wederkerigheid.

2. Als vreemdeling in bovenbedoelde zin worden niet aangemerkt zij die het Nederlanderschap verloren hebben ingevolge artikel 15 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (Stb. 1984, 628) tenzij zij een vreemde nationaliteit bezitten.

Artikel 43

1. Van de verschuldigdheid van de omroepbijdrage A worden door de Dienst omroepbijdragen gedeeltelijk ontheven, zij die bedrijfsmatig exploiteren:

a. hotels en toeristenpensions, die op grond van de inschrijfverordening van het bedrijfschap HORECA zijn ingeschreven en als zodanig geregistreerd;

b. bungalows, appartementen of soortgelijke voor tijdelijke huisvesting ten dienste van de recreatie bestemde verblijven.

2. De in het eerste lid bedoelde ontheffing heeft betrekking op de betaling van 50 procent van de omroepbijdrage A voor de per exploitatieplaats aanwezige toestellen, waarvan het aantal de vijf te boven gaat.

Artikel 44

Indien de houder wordt ontheven van de verschuldigdheid van de omroepbijdrage, vindt terugbetaling plaats van de reeds betaalde omroepbijdrage over het tijdvak waarvoor de ontheffing is verleend.

Artikel 45

Bij afschaffing, verzegeling of tijdelijke afschaffing van een of meer ontvanginrichtingen vindt terugbetaling plaats van de reeds betaalde omroepbijdrage vanaf het tijdstip waarop de melding of de aanvraag, bedoeld in artikel 37 betreffende de afschaffing is ontvangen door de Dienst omroepbijdragen.

Artikel 46

Verrekening of terugbetaling van de omroepbijdrage vindt alleen plaats over een tijdvak van een of meer kalendermaanden.

Artikel 47

Bij interlokale en interprovinciale verhuizingen vindt eventuele aanpassing van het tarief van de lokale en provinciale opslagen plaats met ingang van het tijdvak volgende op het tijdvak waarover laatstelijk een nota als bedoeld in artikel 48, eerste lid, is verzonden. Bij wijziging van de vordering wordt uitgegaan van het tarief van de gemeente of provincie waarnaar de geregistreerde is verhuisd.

Artikel 48

De met de inning van de omroepbijdragen belaste dienst zendt aan de geregistreerde houder een nota voor de verschuldigde omroepbijdrage. De houder is verplicht de omroepbijdrage te voldoen door vóór de op de nota vermelde vervaldatum het verschuldigde bedrag te storten, over te schrijven of over te doen schrijven.

(Met ingang van het tijdstip waarop het in artikel I, onderdeel B, van de wet van 19 december 1996 (Stb. 648) aan artikel 110 van de Mediawet toegevoegde derde lid in werking treedt, komt artikel 48 als volgt te luiden:

Artikel 48

1. De Dienst omroepbijdragen zendt aan de geregistreerde houder een nota voor de verschuldigde omroepbijdrage. De houder is verplicht de omroepbijdrage te voldoen door vóór de op de nota vermelde vervaldatum of vervaldata het verschuldigde bedrag of de verschuldigde termijnen te storten, over te schrijven of over te doen schrijven.

2. Betaling van de omroepbijdrage A in twee, dan wel vier termijnen is slechts mogelijk indien de houder de Dienst omroepbijdrage heeft gemachtigd tot automatische incasso.

3. De Dienst omroepbijdragen kan de mogelijkheid om in twee dan wel vier termijnen te betalen intrekken indien de houder een of meer termijnen niet of niet tijdig heeft voldaan. De verschuldigde omroepbijdrage is alsdan direct in zijn geheel opeisbaar.)

Artikel 49

Indien de omroepbijdrage, dan wel een termijnbetaling niet binnen vier weken na de in artikel 48, eerste lid, bedoelde vervaldatum of vervaldata is voldaan, volgt een aanmaning. De kosten van de aanmaning behoeven niet betaald te worden indien de houder alsnog aantoont de omroepbijdrage, dan wel een termijnbetaling te hebben voldaan.

Artikel 50 (Vervallen)

Artikel 51 (Vervallen)



Terug naar begin

HOOFDSTUK 3. COMMERCIËLE OMROEP

Paragraaf 3.1. De aanvraag

Artikel 52

1. Een aanvraag voor toestemming om een programma als bedoeld in artikel 71a, eerste lid, van de Mediawet, te verzorgen wordt ingediend bij het Commissariaat voor de Media.

2. De aanvraag gaat vergezeld van:

a. een exemplaar van de statuten;

b. een opgave van de feitelijke vestigingsplaats, indien deze afwijkt van de statutaire vestigingsplaats;

c. een aanduiding of de aanvraag betrekking heeft op toestemming voor het verzorgen van een radio- of van een televisieprogramma, of van beide;

d. een omschrijving van de organisatorische en juridische structuur van de aanvrager, alsmede een overzicht van zijn bestuurders en aandeelhouders.

Artikel 52a

Indien een commerciële omroepinstelling, in aanmerking wil komen voor toestemming in een aansluitende periode, dient zij een aanvraag bij het Commissariaat voor de Media in ten minste vijf maanden vóór de afloop van de periode waarvoor haar toestemming is verleend. Artikel 52 is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 3.2. Verplichtingen ten aanzien van de programma's

Artikel 52b

Een commerciële omroepinstelling die programma-onderdelen bestaande uit reclameboodschappen verzorgt, draagt er zorg voor dat zij aangesloten is bij de Nederlandse Reclame Code of een vergelijkbare door de Stichting Reclame Code tot stand gebrachte regeling en ter zake onderworpen is aan het toezicht van de Stichting Reclame Code. De commerciële omroepinstelling toont dit aan door middel van een aan het Commissariaat voor de Media over te leggen schriftelijke verklaring van de Stichting Reclame Code.

Artikel 52c

Reclameboodschappen die zijn opgenomen in het programma van een commerciële omroepinstelling zijn als zodanig herkenbaar en duidelijk onderscheiden van de andere programma-onderdelen. Er wordt geen gebruik gemaakt van subliminale technieken.

Artikel 52d

1. Het programma van een commerciële omroepinstelling bestaat voor ten hoogste vijftien procent van de totale duur per dag en voor ten hoogste twaalf minuten per uur uit reclameboodschappen.

2. Reclameboodschappen in televisieprogramma's worden uitsluitend uitgezonden in blokken die, met inbegrip van de eventuele omlijsting, ten minste twee minuten duren.

Artikel 52e

1. Programma-onderdelen van commerciële omroepinstellingen worden uitsluitend onderbroken door reclameboodschappen, indien de onderbreking geen afbreuk doet aan de integriteit, het karakter en de samenhang van het desbetreffende programma-onderdeel of aan de rechten van rechthebbenden.

2. Programma-onderdelen, bestaande uit de weergave van godsdienstige of levensbeschouwelijke samenkomsten, worden niet onderbroken door reclameboodschappen.

3. De volgende programma-onderdelen worden uitsluitend onderbroken door reclameboodschappen, indien zij ten minste dertig minuten duren:

a. programma-onderdelen, bestaande uit nieuws of commentaar op het nieuws;

b. programma-onderdelen van godsdienstige of geestelijke aard, niet zijnde programma-onderdelen als bedoeld in het tweede lid;

c. programma-onderdelen die bestemd zijn voor minderjarigen beneden de leeftijd van twaalf jaar; en

d. niet-gedramatiseerde documentaires.

4. Films worden uitsluitend onderbroken door reclameboodschappen, indien zij ten minste vijfenveertig minuten duren.

5. Onverminderd het vierde lid, worden films ten hoogste eenmaal per volledig tijdvak van vijfenveertig minuten onderbroken door reclameboodschappen. Indien een film ten minste twintig minuten langer duurt dan twee of meer volledige tijdvakken van vijfenveertig minuten, kan hij nog eenmaal worden onderbroken.







Artikel 52f

1. Bij opeenvolgende onderbrekingen door reclameboodschappen in één programma-onderdeel voor televisie worden tussenpozen van ten minste twintig minuten in acht genomen.

2. In afwijking van het eerste lid, worden programma-onderdelen voor televisie die bestaan uit het verslag van een sportevenement, een podiumvoorstelling, of van andere voorstellingen of evenementen die op overeenkomstige wijze zijn gestructureerd, uitsluitend onderbroken door reclameboodschappen tijdens de in het evenement voorkomende gebruikelijke pauzes of tussen de daarin voorkomende gebruikelijke zelfstandige onderdelen.

Artikel 52g

Het programma van een commerciële omroepinstelling bestaat voor ten hoogste twintig procent van de totale duur per dag, doch nimmer voor meer dan één uur per dag, uit reclame-uitingen die bestaan uit het rechtstreeks aanbieden van produkten of diensten aan het publiek. Indien het programma tevens reclameboodschappen bevat, bestaat het programma voor ten hoogste twintig procent per dag uit reclameboodschappen en de andere reclame-uitingen, bedoeld in de vorige zin, te zamen, onverminderd het bepaalde in artikel 52d, eerste lid, ten aanzien van de reclameboodschappen.

Artikel 52h

1. De programma-onderdelen van een commerciële omroepinstelling worden uitsluitend gesponsord, indien die instelling een programmastatuut tot stand heeft gebracht waarin ten minste waarborgen zijn opgenomen voor de redactionele onafhankelijkheid van haar werknemers, belast met de samenstelling van de programma's, ten opzichte van de sponsors.

2. Aan het begin of aan het einde van een gesponsord programma-onderdeel worden, ter informatie van het publiek, alle sponsors vermeld. De vermelding gebeurt door middel van naam, handelsmerk, logo of beeldmerk en is zodanig vormgegeven dat zij niet voldoet aan de definitie van reclameboodschap, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel r, van de Mediawet.

3. In een gesponsord programma-onderdeel mogen produkten of diensten van personen, bedrijven of instellingen worden vermeld of getoond, indien het publiek niet, door middel van specifieke aanprijzingen of anderszins, wordt aangespoord tot het kopen of huren van die produkten of tot het afnemen van die diensten.

4. Commerciële omroepinstellingen bedingen of aanvaarden geen sponsorbijdragen van personen, bedrijven of instellingen:

a. die zich voornamelijk bezighouden met de productie of verkoop van sigaretten of andere tabaksproducten;

b. die zich voornamelijk bezighouden met de productie of verkoop van geneesmiddelen of het verrichten van medische behandelingen, die in Nederland uitsluitend op doktersvoorschrift verkrijgbaar zijn, onderscheidenlijk verricht mogen worden; of

c. die gebruik maken van namen, handelsmerken, logo's of beeldmerken die tevens worden gebruikt door personen, bedrijven of instellingen als bedoeld in onderdeel a of b, of daarmee een zo sterke gelijkenis vertonen dat het publiek redelijkerwijs de indruk krijgt dat het mede de naam, het handelsmerk, het logo of het beeldmerk van een persoon, bedrijf of instelling als bedoeld in onderdeel a of b betreft.

5. Programma-onderdelen van commerciële omroepinstellingen die toestemming hebben verkregen, bestaande uit nieuws, actualiteiten of politieke informatie, worden niet gesponsord.

6. Indien een gesponsord programma-onderdeel uit het buitenland is aangekocht en aldaar ten behoeve van het buitenlandse publiek reeds als programma is uitgezonden, is dit artikel slechts van toepassing voor zover de sponsorbijdragen worden verstrekt ten behoeve van de aankoop van het programma-onderdeel door de commerciële omroepinstelling.

Artikel 52i

1. Aan het begin of aan het einde van een programma-onderdeel van een commerciële omroepinstelling bestaande uit het verslag of de weergave van een evenement als bedoeld in artikel 26, onderdeel a, dat niet voornamelijk bestemd is om als programma te worden uitgezonden, mogen de namen, handelsmerken, logo's of beeldmerken van die personen, bedrijven of instellingen, die een financiële of andere bijdrage hebben verstrekt aan de totstandkoming van het evenement, worden vermeld of getoond. De vermelding of vertoning is zodanig vormgegeven dat zij niet voldoet aan de definitie van reclameboodschap, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel r, van de Mediawet.

2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van personen, bedrijven of instellingen;

a. die zich voornamelijk bezighouden met de productie of verkoop van sigaretten of andere tabaksproducten;

b. die zich voornamelijk bezighouden met de productie of verkoop van geneesmiddelen of het verrichten van medische behandelingen, die in Nederland uitsluitend op doktersvoorschrift verkrijgbaar zijn, onderscheidenlijk verricht mogen worden; of

c. die gebruik maken van namen, handelsmerken, logo's of beeldmerken die tevens worden gebruikt door personen, bedrijven of instellingen als bedoeld in onderdeel a of b, of daarmee een zo sterke gelijkenis vertonen dat het publiek redelijkerwijs de indruk krijgt dat het mede de naam, het handelsmerk, het logo of het beeldmerk van een persoon, bedrijf of instelling als bedoeld in onderdeel a of b betreft.

Artikel 52j

1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 52g, 52h, tweede en derde lid, en 52i, eerste lid, worden in programma-onderdelen van commerciële omroepinstellingen geen namen, beeldmerken, logo's, handelsmerken, produkten, diensten of activiteiten van personen, bedrijven of instellingen vermeld of getoond, indien de desbetreffende commerciële omroepinstelling, naar redelijkerwijs kan worden aangenomen, daarmee beoogt of mede beoogt het publiek te bewegen tot het kopen van een bepaald produkt of het gebruik maken van een bepaalde dienstverlening, dan wel gunstig te stemmen ten aanzien van een bepaald bedrijf, een bedrijfstak of een bepaalde instelling teneinde de verkoop van produkten of de afname van diensten te bevorderen.

2. Het vermelden of tonen van een naam, beeldmerk, logo, handelsmerk, produkt, dienst of activiteit van een persoon, bedrijf of instelling in een programma-onderdeel wordt geacht te geschieden met het oogmerk, bedoeld in het eerste lid, indien zulks tegen betaling geschiedt.

Artikel 52k

1. Het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling bestaat voor ten minste vijftig procent uit programma-onderdelen die kunnen worden aangemerkt als Europese producties in de zin van artikel 6 van de Europese richtlijn.

2. Het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling, bestaat voor ten minste tien procent uit programma-onderdelen als bedoeld in het eerste lid, die niet zijn geproduceerd door:

a. de desbetreffende commerciële omroepinstelling, of een andere instelling die een programma verzorgt;

b. een rechtspersoon waarin een instelling die een programma verzorgt, al dan niet door middel van een of meer van haar dochtermaatschappijen, een belang van meer dan vijfentwintig procent heeft;

c. een rechtspersoon waarin twee of meer instellingen die een programma verzorgen, al dan niet door middel van een of meer van hun onderscheidene dochtermaatschappijen, te zamen een belang van meer dan vijftig procent hebben; of

d. een vennootschap waarin een instelling die een programma verzorgt, dan wel een of meer van haar dochtermaatschappijen, als vennoot volledig jegens schuldeisers aansprakelijk is voor de schulden.

3. Ten minste een derde deel van de programma-onderdelen, bedoeld in het tweede lid, is niet ouder dan vijf jaar.

4. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende programma-onderdelen voor televisie buiten beschouwing gelaten:

a. programma-onderdelen, bestaande uit nieuws;

b. programma-onderdelen die betrekking hebben op sport;

c. programma-onderdelen die het karakter van een spel hebben, met uitzondering van programma-onderdelen van culturele of educatieve aard, die mede het karakter van een spel hebben;

d. programma-onderdelen, bestaande uit reclameboodschappen; en

e. programma-onderdelen, bestaande uit een aantal beelden met alfanumerieke gegevens of andere stilstaande beelden.

5. Dit artikel is niet van toepassing op commerciële omroepinstellingen die een televisieprogramma verzorgen dat in slechts één gemeente of een beperkt aantal aan elkaar grenzende gemeenten kan worden ontvangen.

Artikel 52l

Het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling bestaat voor ten minste veertig procent uit oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programma-onderdelen.

Artikel 52m

1. Een commerciële omroepinstelling neemt in haar programma geen films op binnen een termijn van twee jaar na de aanvang van de exploitatie daarvan in de bioscopen in een van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen of in een van de overige Staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. Deze termijn bedraagt één jaar in geval van coproducties van films waaraan de desbetreffende commerciële omroepinstelling heeft meegewerkt.

2. De rechthebbenden op de film en de desbetreffende commerciële omroepinstelling kunnen bij overeenkomst afwijken van het eerste lid.

Artikel 52n

De artikelen 52d, 52e, tweede tot en met vijfde lid, 52f, 52g, 52i en 52k tot en met 52m zijn niet van toepassing op:

a. het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling die een televisieprogramma verzorgt dat:

1. voor zover het de beeldinhoud betreft, uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaat uit een aantal beelden met alfanumerieke gegevens en andere stilstaande beelden; en

2. niet direct of indirect buiten Nederland ontvangen kan worden;

b. het door de beheerder van een draadomroepinrichting verzorgde programma, bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de Mediawet.



Terug naar begin

HOOFDSTUK 4. ANDERE PROGRAMMA'S DIE DOOR MIDDEL VAN DRAADOMROEPINRICHTINGEN WORDEN UITGEZONDEN

Artikel 53 (Vervallen)

Artikel 53a

De artikelen 52 tot en met 52j, 52m en 52n zijn van overeenkomstige toepassing op de verzorger van een abonneeprogramma.

Artikel 53b

1. Een abonneeprogramma voor televisie bestaat voor ten minste vijftig procent uit programma-onderdelen die kunnen worden aangemerkt als Europese producties in de zin van artikel 6 van de Europese richtlijn.

2. Het abonneeprogramma voor televisie bestaat voor ten minste tien procent uit programma-onderdelen als bedoeld in het eerste lid, die niet zijn geproduceerd door:

a. de verzorger van het desbetreffende abonneeprogramma of een andere instelling die een programma verzorgt;

b. een rechtspersoon waarin een instelling die een programma verzorgt, al dan niet door middel van een of meer van haar dochtermaatschappijen, een belang van meer dan vijfentwintig procent heeft;

c. een rechtspersoon waarin twee of meer instellingen die een programma verzorgen, al dan niet door middel van een of meer van haar dochtermaatschappijen, te zamen een belang van meer dan vijftig procent hebben; of

d. een vennootschap waarin een instelling die een programma verzorgt, dan wel een of meer van haar dochtermaatschappijen, als vennoot volledig jegens schuldeisers aansprakelijk is voor de schulden.

3. Ten minste een derde deel van de programma-onderdelen, bedoeld in het eerste lid, is niet ouder dan vijf jaar.

4. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende programma-onderdelen voor televisie buiten beschouwing gelaten:

a. programma-onderdelen, bestaande uit nieuws;

b. programma-onderdelen die betrekking hebben op sport;

c. programma-onderdelen die het karakter van een spel hebben, met uitzondering van programma-onderdelen van culturele of educatieve aard, die mede het karakter van een spel hebben;

d. programma-onderdelen, bestaande uit reclameboodschappen; en

e. programma-onderdelen, bestaande uit een aantal beelden met alfanumerieke gegevens of andere stilstaande beelden.

5. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen tijdelijk gedeeltelijke ontheffing verlenen van het eerste lid, met dien verstande dat het percentage niet lager gesteld kan worden dan tien.

6. Dit artikel is niet van toepassing op verzorgers van een abonneeprogramma voor televisie dat in slechts één gemeente of een beperkt aantal aan elkaar grenzende gemeenten kan worden ontvangen.

Artikel 53c (Vervallen)







Artikel 53d

Een aanvraag voor toestemming om een programma te verzorgen als bedoeld in artikel 75a van de Mediawet, wordt door de desbetreffende regionale omroepinstelling die zendtijd heeft verkregen, ingediend bij het Commissariaat voor de Media.

Artikel 53e

Een regionaal programma, als bedoeld in artikel 75a van de Mediawet wordt, voor zover het een televisieprogramma betreft, niet uitgezonden tussen 19.00 uur en 23.00 uur, tenzij de Stichting en de desbetreffende regionale omroepinstelling anders zijn overeengekomen.

Artikel 53f

1. Een aanvraag voor toestemming om een programma te verzorgen als bedoeld in artikel 75b van de Mediawet, wordt door de desbetreffende lokale omroepinstelling die zendtijd heeft verkregen, ingediend bij het Commissariaat voor de Media.

2. De aanvraag gaat vergezeld van:

a. een aanduiding of de aanvraag betrekking heeft op het verzorgen van een radio- of van een televisieprogramma, of van beide;

b. een exemplaar van de notarieel vastgelegde statuten van de instelling die het programma produceert, of, indien het niet een rechtspersoon betreft, een aanduiding van de instelling die het programma produceert; en

c. het advies van de Raad voor cultuur, bedoeld in artikel 75b, tweede lid, onderdeel d, van de Mediawet.

3. Indien een lokale omroepinstelling die de in het eerste lid bedoelde toestemming heeft verkregen, in aanmerking wil komen voor toestemming in een aansluitende periode, dient zij een aanvraag bij het Commissariaat voor de Media in ten minste vijf maanden vóór de afloop van de periode waarvoor haar toestemming is verleend. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.



Terug naar begin

HOOFDSTUK 5. PERSORGANEN

Artikel 54

Naast het in artikel 130, vierde lid, van de Mediawet bedoelde geval, kan het Bedrijfsfonds voor de Pers financiële steun verlenen in de vorm van een uitkering, ten behoeve van:

a. compensatie aan dagbladen wegens ongelijkheid van voorwaarden op de advertentiemarkt van dagbladen;

b. gezamenlijke projecten van persorganen;

c. organisatie-onderzoek, gericht op structurele verbetering van de exploitatie van een persorgaan;

d. onderzoek ten behoeve van de bedrijfstak als geheel, voorzover het onderzoek past in de doelstellingen van het Bedrijfsfonds.

Artikel 55

1. De in artikel 54, onderdeel a, bedoelde compensatie-uitkering aan dagbladen heeft uitsluitend betrekking op de boekjaren 1986 en 1989 en kan worden verleend indien:

a. de exploitatie van het dagblad in het jaar waarover steun wordt verleend verlieslijdend is geweest, berekend volgens door het Bedrijfsfonds voor de Pers gegeven richtlijnen;

b. het dagblad in het jaar waarover steun wordt verleend een gemiddelde betaalde oplage van ten hoogste 232.000 exemplaren en een verspreidingsdichtheid van ten hoogste 0,48 heeft gehad en tevens een zodanige gemiddelde betaalde oplage (Oi) en verspreidingsdichtheid (Di), dat na invulling van de waarden hiervan de uitkomst van de formule: 1 - Oi/232.000 - Di/0,48 groter is dan 0;

c. de personele kosten van de eigen redactie van het dagblad in het jaar waarover steun wordt verleend tenminste 30 procent van de totale personele redactiekosten van het desbetreffende dagblad hebben bedragen;

d. een project is ingediend dat is gericht op een structurele verbetering van de exploitatie van het dagblad binnen een redelijke termijn;

e. het project is goedgekeurd door het Bedrijfsfonds; en

f. het project binnen een redelijke termijn wordt uitgevoerd.

2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, wordt verstaan onder:

a. verspreidingsdichtheid: het percentage van de totale oplage van een dagblad verkocht op de thuismarkt van het blad, vermenigvuldigd met het dekkingspercentage op de thuismarkt;

b. thuismarkt: het nodale gebied waarin het dagblad zijn hoogste betaalde oplage heeft plus de daaraan grenzende nodale gebieden waarin het dekkingspercentage niet lager is dan 85 procent van het dekkingspercentage in het nodale gebied waarin het dagblad zijn hoogste betaalde oplage heeft, alsmede de aan vorengenoemde gebieden grenzende nodale gebieden waarin het dekkingspercentage niet lager is dan 85 procent van het dekkingspercentage in het nodale gebied waarin het dagblad zijn hoogste betaalde oplage heeft;

c. nodale gebieden: de gebieden aangegeven op de aan dit besluit gehechte kaart van Nederland;

d. dekkingspercentage op de thuismarkt: de betaalde oplage op de thuismarkt gedeeld door het aantal particuliere PTT-afgiftepunten in het betrokken gebied.

3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, wordt verstaan onder de eigen redactie van het dagblad: redactionele medewerkers in vaste dienst van het desbetreffende dagblad en freelance-redactionele medewerkers, voorzover en naar de mate waarin deze periodiek redactionele bijdragen aan het desbetreffende dagblad leveren. De centrale redactie van een dagblad, die tevens redactionele bijdragen aan andere bladen levert, wordt voor dit dagblad tot de eigen redactie gerekend.

4. De financiële steun bedoeld in het eerste lid is ten hoogste gelijk aan 75 procent van het geleden verlies in het jaar waarop de steunverlening betrekking heeft, berekend volgens door het Bedrijfsfonds gegeven richtlijnen.

Artikel 56

De in artikel 54, onderdeel b, bedoelde steun kan worden verleend indien:

a. een project door de gezamenlijke persorganen is ingediend, dat gericht is op structurele verbetering van de exploitatiepositie van die persorganen binnen een redelijke termijn;

b. dit project past in de doelstelling van het Bedrijfsfonds voor de Pers;

c. het project is goedgekeurd door het Bedrijfsfonds; en

d. het project binnen een redelijke termijn wordt uitgevoerd.

Artikel 57

1. De in artikel 54, onderdeel c, bedoelde steun kan worden verleend indien:

a. de exploitatie van het bedoelde persorgaan over het boekjaar, voorafgaand aan de aanvraag, in een verlieslijdende positie heeft verkeerd of daarin terecht dreigde te komen;

b. de aanvraag een voorstel bevat, inhoudende de opzet en uitvoering van het beoogde onderzoek;

c. de aanvraag voor de verlening van deze financiële steun uitsluitend gericht is op het verkrijgen van steun voor ten hoogste tweederde deel van de kosten van het beoogde organisatie-onderzoek.

2. De bepalingen van artikel 56, onderdeel b tot en met d, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 58

1. De in artikel 54, onderdeel d, bedoelde steun kan worden verleend indien de aanvraag voor deze financiële steun betrekking heeft op:

a. de persbedrijfstak als geheel;

b. een vraagstuk, dat verband houdt met de doelstelling van het Bedrijfsfonds voor de Pers.

2. De bepalingen van artikel 56, onderdeel c en d, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 59

1. De aanvragen voor financiële steun als bedoeld in de artikelen 130 en 131 van de Mediawet worden bij het Bedrijfsfonds voor de Pers ingediend door de rechtspersoon die de uitgaverechten bezit van het persorgaan waarop de aanvraag betrekking heeft, dan wel door de betreffende groep of bedrijfstak van persorganen.

2. Indien de aanvraag betrekking heeft op de financiële steun, bedoeld in artikel 54, onderdeel a, wordt zij ingediend gedurende een door het Bedrijfsfonds vast te stellen periode.

Artikel 60

1. De aanvraag voor de financiële steun, bedoeld in artikel 54, onderdeel a, bevat tenminste:

a. naam en adres van de rechtspersoon die de aanvraag indient en die de uitgaverechten bezit van het desbetreffende dagblad;

b. een omschrijving van de juridische structuur van de bij de aanvraag betrokken onderneming(en);

c. indien het persorgaan deel uitmaakt van een concern, een omschrijving van de structuur van het concern en van de juridische en economische verhoudingen tussen de aanvrager en de andere vennootschappen van het concern;

d. recente gegevens over de financiële positie van het persorgaan, alsmede de jaarverslagen, de jaarrekeningen en de accountantsrapporten betreffende de meest recente drie jaren;

e. gegevens over de oplage-ontwikkeling, de abonnementsinkomsten en de advertentie-inkomsten van het persorgaan waarop de aanvraag betrekking heeft;

f. indien het persorgaan zich in concernverband bevindt, gegevens over de kosten en opbrengsten van het concern verdeeld naar de kosten en opbrengsten van de afzonderlijke bladen en andere concernactiviteiten;

g. het redactiestatuut van het persorgaan;

h. gegevens over het project bedoeld in artikel 55, eerste lid, onderdeel d;

i. een overzicht van de eventuele gevolgen met betrekking tot het personeel, die uit het project voortvloeien;

j. de schriftelijk vastgelegde visie van de betrokken redactie(s) en ondernemingsraad of -raden met betrekking tot het in artikel 55, eerste lid, onderdeel d, bedoelde project;

k. gegevens over de gemiddelde betaalde oplage en de verspreidingsdichtheid, bedoeld in artikel 55, eerste lid, onderdeel b; en

l. gegevens waaruit blijken de personele kosten, bedoeld in artikel 55, eerste lid, onderdeel c.

2. De aanvraag voor de financiële steun, bedoeld in artikel 54, onderdeel b, bevat tenminste:

a. naam en adres van de rechtspersonen die de aanvraag indienen en die de uitgaverechten bezitten van de desbetreffende persorganen;

b. een omschrijving van de juridische structuur van de bij de aanvraag betrokken persorganen; ingeval de uitgever van een persorgaan deel uitmaakt van een concern, tevens een omschrijving van de structuur van het concern, alsmede een omschrijving van de juridische en economische verhoudingen tussen de aanvrager en de andere vennootschappen van het concern;

c. gegevens over het gezamenlijke project: een beschrijving ervan en van de verwachte effecten daarvan op de ontwikkelingen van de kosten, de opbrengsten en de liquiditeit; en

d. een opgave van de gevraagde financiële steun ter uitvoering van het bedoelde project.

3. De aanvraag voor de financiële steun, bedoeld in artikel 54, onderdeel c, bevat tenminste:

a. naam en adres van de rechtspersoon die de aanvraag indient en die de uitgaverechten bezit van het desbetreffende persorgaan;

b. gegevens over de financiële positie van het persorgaan;

c. gegevens over oplage en verspreiding; en

d. gegevens over opzet en uitvoering van het beoogde onderzoek.

4. De aanvraag voor de financiële steun, bedoeld in artikel 54, onderdeel d, bevat tenminste:

a. naam en adres van de indiener(s) van de aanvraag;

b. een omschrijving van de juridische structuur van de bij de aanvraag betrokken persorganen, alsmede een omschrijving van de juridische en economische verhoudingen; en

c. een omschrijving van het beoogde onderzoek, waarvoor de steun gevraagd wordt.

Artikel 61

1. Het Bedrijfsfonds voor de Pers bevestigt de ontvangst van de aanvraag.

2. Indien bij de aanvraag een van de gegevens bedoeld in artikel 60 ontbreekt, dient uit de aanvraag te blijken waarom de gegevens niet volledig zijn.

Artikel 62

Het Bedrijfsfonds voor de Pers kan indien het zulks wenselijk acht de aanvraag voorleggen aan een externe adviesinstantie. Daarbij wordt gezorgd dat vertrouwelijke bedrijfsgegevens als zodanig behandeld worden.

Artikel 63

1. Het Bedrijfsfonds voor de Pers beslist binnen dertien weken na het in behandeling nemen van de aanvraag.

2. Aanvragen voor financiële steun als bedoeld in artikel 54, onderdeel a, worden gezamenlijk behandeld en beslist.

3. Aanvragen voor financiële steun als bedoeld in artikel 54, onderdeel b, c en d, worden in volgorde van ontvangst behandeld en beslist. Indien het in een jaar ter beschikking staande bedrag voor steunverlening volledig is toegewezen, worden volgende aanvragen afgewezen.

Artikel 64

Het Bedrijfsfonds voor de Pers kan aan de beschikking tot financiële steunverlening aan de aanvrager voorschriften verbinden. Deze hebben betrekking op:

a. de besteding van de steun overeenkomstig de daaraan ten grondslag liggende doelstellingen;

b. de wijze waarop en de termijn waarbinnen het project respectievelijk het onderzoek wordt uitgevoerd;

c. de verslaglegging van de activiteiten en de financiële verantwoording daarvan; en

d. de eventuele wijzigingen in de financiële structuur van de aanvrager.

Artikel 65

Van een beschikking tot toekenning of weigering alsmede van de hoogte van de financiële steun, wordt binnen een week nadat de beschikking is genomen, mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 66

1. Indien het Bedrijfsfonds voor de Pers heeft besloten tot het verlenen van financiële steun en de hoogte van het steunbedrag nog niet definitief is vastgesteld, kan het een voorschot toekennen aan de aanvrager. Dit voorschot bedraagt ten hoogste 50 procent van de financiële steun zoals die op basis van voorlopige berekeningen is becijferd.

2. Indien een voorschot is uitgekeerd, maar de definitieve berekening op een lager niveau wordt vastgesteld dan het verstrekte voorschot, dan dient het verschil tussen voorschot en definitieve uitkering op eerste aanmaning te worden terugbetaald aan het Bedrijfsfonds.

Artikel 67

1. Het Bedrijfsfonds voor de Pers kan de steunverlening beëindigen en de reeds uitgekeerde bedragen terugvorderen, indien:

a. enig voorschrift verbonden aan steunverlening door de aanvrager niet wordt nagekomen;

b. blijkt dat de bij de aanvraag overlegde gegevens onjuist waren;

c. binnen een jaar na de datum waarop de beslissing tot steunverlening is genomen een surséance van betaling of een faillissement van de aanvrager is uitgesproken.

2. Het Bedrijfsfonds kan op een aanvraag om steunverlening op grond van artikel 54, onderdeel a, negatief beschikken dan wel besluiten van feitelijke uitbetaling van reeds toegezegde financiële ondersteuning af te zien, indien een dagblad failleert in de periode die verloopt tussen het jaar waarop de aangevraagde steun betrekking heeft en het moment waarop tot feitelijke uitbetaling van de betrokken uitkeringen zou worden overgegaan.



Terug naar begin

HOOFDSTUK 6. PROGRAMMA'S VOOR BUITENLANDSE MILITAIREN

Artikel 68

1. Het Commissariaat voor de Media verleent toestemming voor het verzorgen van een programma uitsluitend bestemd voor in Nederland gelegerde militairen van buitenlandse strijdkrachten en hun gezinnen, dat door middel van een zender wordt uitgezonden binnen een gebied van beperkte omvang.

2. De toestemming wordt verleend aan de bevoegde militaire autoriteiten van een bij de Noord-atlantische verdragsorganisatie (NAVO) aangesloten land waarvan strijdkrachten in Nederland zijn gelegerd, voor het gebruik door instellingen of personen van de buitenlandse strijdkrachten die daartoe door hen worden aangewezen.

3. Ten aanzien van het gebruik van de toestemming zijn de artikelen 52 tot en met 53a, 55, 56, 56a, vijfde en zesde lid, 134, en 138 tot en met 138d van de Mediawet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 69

Het Commissariaat voor de Media kan zonodig het zendernet aanwijzen waarop de programma's als bedoeld in artikel 68, zullen worden uitgezonden.

Artikel 70

1. Een aanvraag voor de toestemming als bedoeld in artikel 68 wordt ingediend bij Onze Minister van Defensie, die deze voorzien van zijn opmerkingen binnen vier weken doorzendt aan het Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat zendt een afschrift van de aanvraag aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

2. De aanvraag gaat vergezeld van:

a. een omschrijving van het doel van de aanvraag;

b. een aanduiding van het gebied waarbinnen het programma zal worden uitgezonden;

c. een verklaring van de auteursrechthebbenden aan de autoriteiten van de betreffende NAVO-lidstaat waaruit blijkt dat geen auteursrechtelijke toestemming zal worden verleend voor de verspreiding van het programma buiten de in artikel 68 omschreven doelgroep en het gebied; en

d. een omschrijving van de te gebruiken zender waarop het programma zal worden uitgezonden.

Artikel 71

1. Het Commissariaat voor de Media trekt de toestemming in:

a. wanneer niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden die in artikel 68, eerste en tweede lid, worden gesteld om voor toestemming in aanmerking te komen;

b. op gronden ontleend aan de veiligheid van de Staat.

2. Het Commissariaat kan de toestemming intrekken indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 68, derde lid.

3. Het Commissariaat maakt zijn voornemen tot intrekking van de toestemming kenbaar aan Onze Minister van Defensie en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

Artikel 72

1. Een beschikking tot intrekking van een verleende toestemming, genomen op grond van artikel 71, eerste lid, gaat onmiddellijk in.

2. Een beschikking tot intrekking van een verleende toestemming, genomen op grond van artikel 71, tweede lid, gaat niet eerder in dan nadat de bevoegde militaire autoriteit van het voornemen daartoe en de gronden waarop de beschikking berust in kennis is gesteld en deze in de gelegenheid is gesteld binnen een redelijke termijn schriftelijke en desgewenst mondelinge opmerkingen te maken.

Artikel 73

1. De bevoegde militaire autoriteit gebruikt de aan hem verleende toestemming geheel voor het programma, bedoeld in artikel 68.

2. Aan het begin en aan het einde van ieder programma wordt dagelijks ervan melding gemaakt dat het programma uitsluitend bestemd is voor de in Nederland gelegerde militairen van de strijdkrachten van de desbetreffende lidstaat en hun gezinnen.



Terug naar begin

HOOFDSTUK 7. OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 74 (Vervallen)

Artikel 75 (Vervallen)

Artikel 76 (Vervallen)

Artikel 77 (Vervallen)

Artikel 77a (Vervallen)

Artikel 77b (Vervallen)

Artikel 77c (Vervallen)



Terug naar begin

HOOFDSTUK 8. SLOTBEPALINGEN

Artikel 78 (Vervallen)

Artikel 79 (Vervallen)

Artikel 80

Een wijziging van de Europese richtlijn gaat voor de toepassing van de artikelen 52k en 53b gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

Artikel 81

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 82

Dit besluit kan worden aangehaald als "Mediabesluit".


MLB/J/OP/Edgar Lammertse, 12 september 1997